Article 48n
in forcePolicy regarding the police and the organisation of the police · Legal status and screening · § Provisions for police officers who have reached the AOW-eligible age
By way of derogation from the period of 6 weeks referred to in Article 48m, paragraphs one and two, a period of thirteen weeks shall apply until a time to be determined by Royal Decree for the police officer who has reached the age referred to in Article 7, part a, of the General Old Age Pensions Act (Algemene Ouderdomswet).
If the incapacity for work due to illness has commenced before the date on which the civil servant has reached the age referred to in the first paragraph, the period mentioned in the first paragraph shall apply from that date, provided that the total period does not exceed 104 weeks.
If the incapacity to perform work due to illness has commenced before the point in time to be determined pursuant to the first paragraph, the period of thirteen weeks referred to in the first paragraph shall continue to apply for the period mentioned in Article 48m, first paragraph, point (a).
The time referred to in the first paragraph shall not be determined until after:
Our Minister of Social Affairs and Employment has sent a report on the effectiveness and the effects of the Act on working after the AOW-pension age in practice during the first two years after the entry into force of that Act, to both Houses of the States General; and
eight weeks have elapsed after the intention to determine that time has been communicated to both Houses of the States General.
In afwijking van de in artikel 48m, eerste en tweede lid, genoemde termijn van 6 weken, geldt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip een termijn van dertien weken voor de ambtenaar van politie die de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd heeft bereikt.
Indien de ongeschiktheid wegens ziekte een aanvang heeft genomen voor de datum waarop de ambtenaar de in het eerste lid bedoelde leeftijd heeft bereikt, geldt vanaf die datum de in het eerste lid genoemde termijn, voor zover het totale tijdvak niet meer bedraagt dan 104 weken.
Indien de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte een aanvang heeft genomen voor het op grond van het eerste lid vast te stellen tijdstip blijft voor de periode, genoemd in artikel 48m, eerste lid, onderdeel a, de in het eerste lid genoemde termijn van dertien weken gelden.
Het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, wordt niet eerder vastgesteld dan nadat:
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd in de praktijk gedurende de eerste twee jaren na inwerkingtreding van die wet, aan de beide kamers der Staten-Generaal heeft gezonden; en
acht weken zijn verstreken nadat het voornemen tot het vaststellen van dat tijdstip is meegedeeld aan de beide kamers der Staten-Generaal.