Article 48m
in forcePolicy regarding the police and the organisation of the police · Legal status and screening · § Provisions for police officers who have reached the AOW-eligible age
A police officer who has reached the age referred to in Article 48j, paragraph 1, may be dismissed on the grounds of unfitness to perform his duties due to illness, if:
there is an incapacity to perform his work due to illness for an uninterrupted period of six weeks, and
recovery from his illness is not to be expected within a period of six weeks following the period of six weeks referred to in point (a).
If the incapacity due to illness has commenced before the date on which the civil servant has reached the age referred to in Article 48j, paragraph 1, the period of six weeks mentioned in part (a) shall apply from that date, provided that the total period does not exceed two years.
For the calculation of the six-week period referred to in paragraph 1, point (a), periods of incapacity for work due to illness shall be aggregated if they succeed one another with an interruption of less than four weeks.
In order to assess whether a situation as referred to in the first paragraph, points (a) and (b), exists, the competent authority may request an investigation into and an opinion on the existence of incapacity for work as referred to in Article 32, sixth paragraph, of the Work and Income (Implementation Structure) Act.
De ambtenaar van politie die de in artikel 48j, eerste lid, bedoelde leeftijd heeft bereikt, kan worden ontslagen op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, indien:
er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van zes weken, en
herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes weken na de in onderdeel a genoemde periode van zes weken te verwachten is.
Indien de ongeschiktheid wegens ziekte een aanvang heeft genomen voor de datum waarop de ambtenaar de in artikel 48j, eerste lid, bedoelde leeftijd heeft bereikt, geldt vanaf die datum de in onderdeel a genoemde termijn van zes weken, voor zover het totale tijdvak niet meer bedraagt dan twee jaar.
Voor de berekening van de periode van zes weken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
Om te beoordelen of sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, kan het bevoegd gezag een onderzoek naar en een oordeel over het bestaan van ongeschiktheid tot werken als bedoeld in artikel 32, zesde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen aanvragen.