Dutch Legislation

Article 54

in force

General provisions regarding the pension provider · § Duties of the pension administrator

Pensions Act (Pensioenwet) · Chapter 4 · § 4.1 · In force since 2023-07-01

Source
1.

A pension provider may, for a participant who becomes a former employee, implement a voluntary continuation of the pension scheme, provided that the voluntary continuation lasts for a maximum of three years from the termination of the employment relationship.

2.

By way of derogation from the first paragraph, a period of ten years shall apply insofar as the aforementioned former employee, following the termination of the employment relationship, enjoys profits from an enterprise (winst uit onderneming) during that period as referred to in Article 3.8 of the Income Tax Act 2001 (Wet inkomstenbelasting 2001).

3.

Derogation from the period referred to in paragraph 1 is permitted if:

a.

the participant is incapacitated for work at the time of the termination of the employment. The period during which voluntary continuation may occur is then at most three years or the duration of the incapacity for work if this is longer; or

b.

the participant, after the termination of the employment, receives a periodic payment in substitution for income lost in connection with the termination of the employment on the basis of a scheme agreed between one or more employers and one or more employees. The period during which voluntary continuation may occur is then at most three years or the period during which the payment is received if the latter is longer.

4.

The participant who wishes to continue voluntarily shall submit a petition to that effect to the pension provider within nine months from the termination of the employment. The voluntary continuation shall commence no later than fifteen months after the termination of the employment. Article 14, paragraph 2, shall not apply to the period from the termination of the employment until the commencement of the voluntary continuation.

5.

Insofar as the pension scheme provides therefor, in deviation from paragraph 4, the former employee referred to in paragraph 2 who wishes to voluntarily continue may submit a petition (application) to that effect to the pension provider no later than within three years from the termination of the employment relationship. The voluntary continuation shall commence no later than six months after the petition to that effect. Article 14, paragraph 2, shall not apply to the period from the termination of the employment relationship until the commencement of the voluntary continuation.

1.

Een pensioenuitvoerder kan voor de deelnemer die gewezen werknemer wordt een vrijwillige voortzetting van de pensioenregeling uitvoeren indien de vrijwillige voortzetting gedurende ten hoogste drie jaar vanaf de beëindiging van de dienstbetrekking voortduurt.

2.

In afwijking van het eerste lid geldt een termijn van tien jaar voor zover de genoemde gewezen werknemer, aansluitend aan de beëindiging van de dienstbetrekking, gedurende die periode winst uit onderneming geniet als bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

3.

Van de in het eerste lid genoemde termijn kan worden afgeweken indien:

a.

de deelnemer ten tijde van de beëindiging van de dienstbetrekking arbeidsongeschikt is. De periode waarin sprake kan zijn van vrijwillige voortzetting is dan ten hoogste drie jaar of de duur van de arbeidsongeschiktheid indien deze langer is; of

b.

de deelnemer na de beëindiging van de dienstbetrekking een periodieke uitkering ontvangt ter vervanging van in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking gederfde inkomsten op grond van een tussen één of meer werkgevers en één of meer werknemers afgesproken regeling. De periode waarin sprake kan zijn van vrijwillige voortzetting is dan ten hoogste drie jaar of de periode waarin de uitkering wordt ontvangen indien deze langer is.

4.

De deelnemer die vrijwillig wil voortzetten doet binnen negen maanden vanaf de beëindiging van de dienstbetrekking een verzoek daartoe bij de pensioenuitvoerder. De vrijwillige voortzetting begint uiterlijk vijftien maanden na beëindiging van de dienstbetrekking. Artikel 14, tweede lid, is niet van toepassing op de periode vanaf de beëindiging van de dienstbetrekking tot het begin van de vrijwillige voortzetting.

5.

Voor zover de pensioenregeling daar in voorziet kan, in afwijking van het vierde lid, de gewezen werknemer, bedoeld in het tweede lid, die vrijwillig wil voortzetten een verzoek daartoe doen bij de pensioenuitvoerder uiterlijk binnen drie jaar vanaf de beëindiging van de dienstbetrekking. De vrijwillige voortzetting begint uiterlijk zes maanden na het verzoek daartoe. Artikel 14, tweede lid, is niet van toepassing op de periode vanaf de beëindiging van de dienstbetrekking tot het begin van de vrijwillige voortzetting.