Dutch Legislation

Article 2a

in force

Definitions and scope of application

Pensions Act (Pensioenwet) · Chapter 1 · In force since 2023-07-01

Source
1.

A joint household exists if the persons concerned have entered into a notarised cohabitation contract or if there is a cohabitation declaration and the conditions referred to in the second or third paragraph are met.

2.

In the case of a specific partner pension, a joint household exists if and as long as there is a notarially executed cohabitation agreement and this cohabitation agreement has been reported to the pension provider, or there is a cohabitation statement signed by both parties involved, in which they declare that they reside at the same address and care for each other, and this cohabitation statement has been sent to the pension provider.

3.

In the case of an indefinite partner pension, a joint household (gezamenlijke huishouding) exists if:

a.

there is a cohabitation agreement executed by notarial deed;

b.

prior to the death of the employee or former employee, there is a cohabitation statement signed by both parties involved, in which they declare that they reside at the same address and care for one each other; or

c.

after the death of the employee or former employee, there is a cohabitation statement signed by an interested party in which he declares to have been the partner of the deceased and he makes it plausible that at the time of death or, if relevant, at any time prior to the death, he conducted a joint household with the deceased.

4.

The person concerned, referred to in paragraph 3, subparagraph (c), shall in any event demonstrate that they maintained a joint household with the deceased employee or former employee if there has been registration at the same address for a period of six months and one of the following circumstances has occurred:

a.

a child has been born from their relationship or an acknowledgement has taken place of a child of one spouse by the other;

b.

the joint ownership of a house;

c.

a lease agreement in the name of both spouses; or

d.

in the pension scheme of the person concerned, the deceased employee or former employee is designated as the partner of the person concerned.

5.

If applicable, the duration of the joint household in the case of an indefinite partner pension shall be assessed on the basis of the circumstances referred to in the third and fourth paragraphs.

6.

Persons who were partners because they conducted a joint household shall continue to be designated as partners when they are no longer registered at the same address as a result of admission to a care institution, as long as neither of them has notified the pension provider by means of a written notice that they no longer wish to be designated as partners.

7.

Further rules may be laid down by or pursuant to an Order in Council (algemene maatregel van bestuur) with respect to this Article.

1.

Er is sprake van een gezamenlijke huishouding indien de betrokkenen een notarieel verleden samenlevingscontract hebben gesloten of sprake is van een samenlevingsverklaring en wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het tweede of derde lid.

2.

Bij een bepaald partnerpensioen is sprake van een gezamenlijke huishouding indien en zolang er een notarieel verleden samenlevingscontract is en dit samenlevingscontract gemeld is aan de pensioenuitvoerder of er een door beide betrokkenen ondertekende samenlevingsverklaring is, waarin zij verklaren woonachtig te zijn op hetzelfde adres en voor elkaar te zorgen en deze samenlevingsverklaring is gestuurd naar de pensioenuitvoerder.

3.

Bij een onbepaald partnerpensioen is sprake van een gezamenlijke huishouding indien:

a.

er een notarieel verleden samenlevingscontract is;

b.

voor het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer er een door beide betrokkenen ondertekende samenlevingsverklaring is waarin zij verklaren woonachtig te zijn op hetzelfde adres en voor elkaar te zorgen; of

c.

na het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer er een door een betrokkene ondertekende samenlevingsverklaring is waarin hij verklaart partner van de overledene te zijn geweest en hij aannemelijk maakt ten tijde van het overlijden of, indien relevant, op enig moment voor het overlijden een gezamenlijke huishouding met de overledene te hebben gevoerd.

4.

De betrokkene, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, maakt in ieder geval aannemelijk met de overleden werknemer of gewezen werknemer een gezamenlijke huishouding te hebben gevoerd indien sprake is geweest van inschrijving op hetzelfde adres gedurende zes maanden en een van de volgende omstandigheden:

a.

uit hun relatie is een kind geboren of heeft erkenning plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;

b.

het gezamenlijk eigendom van een huis;

c.

een huurcontract op beider naam; of

d.

in de pensioenregeling van de betrokkene is de overleden werknemer of gewezen werknemer aangemerkt als partner van de betrokkene.

5.

Indien van toepassing wordt de duur van de gezamenlijke huishouding bij een onbepaald partnerpensioen beoordeeld op grond van de omstandigheden, bedoeld in het derde en vierde lid.

6.

Personen die partners waren omdat zij een gezamenlijke huishouding voerden blijven als partner aangemerkt wanneer zij niet langer ingeschreven zijn op hetzelfde adres als gevolg van opname in een zorginstelling, zolang geen van beiden door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de pensioenuitvoerder heeft laten weten niet langer als partners te willen worden aangemerkt.

7.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.