Dutch Legislation

Article 35

in force

Supervision and the use of force

Custodial Institutions Act (Pbw) · Chapter VI · In force since 2021-01-01

Source
1.

The director is authorised to use force against a detainee or to employ means of restricting freedom, insofar as this is necessary for the purpose of one of the following interests:

a.

the maintenance of order or security within the institution;

b.

the execution of a decision taken by the director;

c.

the prevention of the detainee evading the supervision exercised over him;

d.

the execution of a decision taken by the public prosecutor or the examining magistrate pursuant to the Code of Criminal Procedure or the DNA Testing of Convicted Persons Act.

2.

Our Minister is authorised to use force or to employ measures restricting the freedom of a detainee with a view to one of the following interests:

a.

the execution of a decision taken by him;

b.

the prevention of the detainee evading the supervision exercised over him.

3.

The use of force shall, where possible, be preceded by a warning. The person who has used force shall immediately draw up a written report thereof and shall immediately submit this report to the director or to Our Minister.

4.

Our Minister shall establish further rules regarding the use of force and the application of measures restricting liberty.

1.

De directeur is bevoegd jegens een gedetineerde geweld te gebruiken dan wel vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden, voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een van de volgende belangen:

a.

de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;

b.

de uitvoering van een door de directeur genomen beslissing;

c.

de voorkoming van het zich onttrekken door de gedetineerde aan het op hem uitgeoefende toezicht;

d.

de uitvoering van een ingevolge het Wetboek van Strafvordering of de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden door de officier van justitie of de rechter-commissaris genomen beslissing.

2.

Onze Minister is bevoegd jegens een gedetineerde geweld te gebruiken of vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden met het oog op een van de volgende belangen:

a.

de uitvoering van een door hem genomen beslissing;

b.

de voorkoming van het zich onttrekken van de gedetineerde aan het op hem uitgeoefende toezicht.

3.

Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf. Degene die geweld heeft gebruikt maakt hiervan onverwijld een schriftelijk verslag en doet dit verslag onverwijld aan de directeur dan wel Onze Minister toekomen.

4.

Onze Minister stelt nadere regels omtrent het gebruik van geweld en de aanwending van vrijheidsbeperkende middelen.