Article 28
in forceSupervision and the use of force
The director shall establish the identity of the detainee upon entry into and upon departure from the institution, during the execution of an order as referred to in Article 2, paragraph 1, preamble, of the DNA Testing of Convicted Persons Act (Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden), and insofar as this is otherwise necessary.
The director shall also verify the identity of the detainee prior to and after the conclusion of a visit, unless an official or staff member maintains continuous and personal supervision of the detainee.
Establishing the identity of the detainee upon initial admission to the institution includes requesting their surname, given names, place of birth and date of birth, the address at which they are registered in the Personal Records Database, and the address of their actual place of residence outside the institution. It also includes taking one or more fingerprints. In cases where fingerprints of the detainee have previously been taken and processed in accordance with the Code of Criminal Procedure or the Aliens Act 2000, establishing their identity upon entry into the institution also includes a comparison of their fingerprints with the fingerprints processed for them. In other cases, establishing their identity includes an examination of their identity document as referred to in Article 1 of the Compulsory Identification Act. Article 29c, paragraph 2, of the Code of Criminal Procedure applies mutatis mutandis.
In cases other than the initial admission to the institution, establishing the identity of the detainee includes taking one or more fingerprints and comparing those fingerprints with the fingerprints taken from him upon entry. In the execution of an order as referred to in Article 2, first paragraph, preamble, of the DNA Testing of Convicted Persons Act (Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden), one or more fingerprints of the detainee shall also be taken and processed in accordance with the Code of Criminal Procedure.
The director is authorised to take one or more photographs of the detainee. The photographs may be used for the production of an identification document and for the prevention, investigation, prosecution, and trial of criminal offences. The detainee is obliged to carry the identification document on their person and to produce it upon the request of an official or staff member.
Rules for the processing of personal data as referred to in the third to fifth paragraphs inclusive shall be laid down by or pursuant to an Order in Council.
De directeur stelt bij binnenkomst in en bij het verlaten van de inrichting, bij de tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden en voor zover dit anderszins noodzakelijk is, de identiteit van de gedetineerde vast.
De directeur stelt tevens voorafgaand aan en na afloop van bezoek de identiteit van de gedetineerde vast, tenzij een ambtenaar of medewerker op de gedetineerde voortdurend en persoonlijk toezicht houdt.
Het vaststellen van de identiteit van de gedetineerde omvat bij de eerste opname in de inrichting het vragen naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de basisregistratie personen is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats buiten de inrichting. Het omvat tevens het nemen van een of meer vingerafdrukken. In de gevallen waarin van de gedetineerde eerder overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering of de Vreemdelingenwet 2000 vingerafdrukken zijn genomen en verwerkt, omvat het vaststellen van zijn identiteit bij binnenkomst in de inrichting tevens een vergelijking van zijn vingerafdrukken met de van hem verwerkte vingerafdrukken. In de andere gevallen omvat het vaststellen van zijn identiteit een onderzoek van zijn identiteitsbewijs, bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Artikel 29c, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
Het vaststellen van de identiteit van de gedetineerde omvat in de andere gevallen dan de eerste opname in de inrichting het nemen van een of meer vingerafdrukken en het vergelijken van die vingerafdrukken met de van hem bij binnenkomst genomen vingerafdrukken. Bij de tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden worden van de gedetineerde tevens een of meer vingerafdrukken overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering genomen en verwerkt.
De directeur is bevoegd van de gedetineerde een of meer foto’s te nemen. De foto’s kunnen worden gebruikt voor het vervaardigen van een legitimatiebewijs en voor het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten van strafbare feiten. De gedetineerde is verplicht het legitimatiebewijs bij zich te dragen en op verzoek van een ambtenaar of medewerker te tonen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor het verwerken van de persoonsgegevens, bedoeld in het derde tot en met vijfde lid.