Dutch Legislation

Article 7

in force

Surrender by the Netherlands · Conditions for surrender

Surrender Act (European Arrest Warrant) · Chapter II · Section 1 · In force since 2024-10-01

Source
1.

Surrender may be granted for the purpose of:

a.

a criminal investigation initiated by the authorities of the issuing Member State or the European Public Prosecutor's Office as referred to in Article 1 of the EPPO Regulation, in respect of the suspicion that the requested person has, in the judgment of the issuing judicial authority, committed:

1º.

a criminal offence designated under the law of the issuing Member State which is also listed in the list annexed to this Act (bijlage 1), and which is punishable under the law of the issuing Member State by a custodial sentence or a detention order for a maximum period of at least three years; or

2º.

another fact that is punishable under the law of the issuing Member State as well as under the law of the Netherlands and for which a custodial sentence with a maximum of at least twelve months is provided under the law of the issuing Member State;

b.

the enforcement of a custodial sentence of four months or longer to be served by the requested person in the territory of the issuing Member State for an offence as referred to under 1° or for another offence that is punishable under the law of both the issuing Member State and the Netherlands.

2.

Surrender may, subject to the third paragraph, be refused if there is a case of:

a.

another fact as referred to in the first paragraph, point (a), under 2°, but which is not punishable under Dutch law, regardless of its constituent elements or its qualification; or

b.

the enforcement of a custodial sentence of four months or longer to be served by the requested person in the territory of the issuing Member State for an offence other than that referred to in paragraph 1, point (b), but which is not punishable under Dutch law, regardless of its constituent elements or its classification.

3.

With regard to duties and taxes, customs and exchange regulations, surrender may not be refused on the ground that the law of the Netherlands does not impose the same kind of duties or taxes or does not contain the same type of provisions as regards duties, taxes, customs and exchange regulations as the law of the issuing Member State.

4.

The list referred to in the first paragraph, point (a), under 1°, may be revised by Order in Council when the Council of the European Union decides to extend or amend the criminal offences listed therein. The recommendation for this Order in Council shall not be made until four weeks after the draft has been submitted to both Houses of the States General.

5.

For the application of the first paragraph, point (a), under 2°, a criminal offence under Dutch law shall also be understood to include an act by which the legal order of the requesting state has been infringed, provided that such an infringement of the Dutch legal order is punishable under Dutch law.

6.

If the European arrest warrant relates to several separate offences which are either punishable under the law of both the issuing and the executing Member State, or are punishable exclusively under the law of the issuing Member State, but one or more of those offences do not meet the condition regarding the level of the penalty referred to in paragraph 1, point (a), sub 2°, or point (b), surrender may also be granted for these offences, concurrently with the surrender for the offence that does meet, or the offences that do meet, that condition.

7.

Article 51a of the Extradition Act shall apply mutatis mutandis to the surrender of persons between the Member States of the European Union.

1.

Overlevering kan worden toegestaan ten behoeve van:

a.

een door autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat of het Europees Openbaar Ministerie bedoeld in artikel 1 van Verordening EOM, ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich naar het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit schuldig heeft gemaakt aan:

1º.

een naar het recht van de uitvaardigende lidstaat benoemd strafbaar feit dat tevens op de in bijlage 1 bij deze wet behorende lijst staat vermeld, waarop naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld; of

2º.

een ander feit dat zowel naar het recht van de uitvaardigende lidstaat als naar dat van Nederland strafbaar is en waarop naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld;

b.

de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier maanden, of van langere duur, door de opgeëiste persoon op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat te ondergaan wegens een feit als onder 1° bedoeld of wegens een ander feit dat zowel naar het recht van de uitvaardigende lidstaat als naar dat van Nederland strafbaar is.

2.

Overlevering kan, behoudens het derde lid, worden geweigerd indien sprake is van:

a.

een ander feit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, maar dat niet strafbaar is naar Nederlands recht, ongeacht de bestanddelen of de kwalificatie ervan; of

b.

de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier maanden, of van langere duur, door de opgeëiste persoon op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat te ondergaan wegens een ander feit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, maar dat niet strafbaar is naar Nederlands recht, ongeacht de bestanddelen of de kwalificatie ervan.

3.

Ter zake van retributies en belastingen, douane en deviezen mag de overlevering niet worden geweigerd op grond van het feit dat Nederland niet dezelfde soort retributies of belastingen heft, of niet dezelfde soort regelgeving inzake retributies, belastingen, douane en deviezen kent als de uitvaardigende lidstaat.

4.

De in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, bedoelde lijst kan, wanneer de Raad van de Europese Unie besluit tot uitbreiding of wijziging van de daarop vermelde strafbare feiten, bij algemene maatregel van bestuur worden herzien. De voordracht voor deze algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

5.

Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, wordt onder een naar Nederlands recht strafbaar feit mede verstaan een feit waardoor inbreuk is gemaakt op de rechtsorde van de verzoekende staat, terwijl krachtens de Nederlandse wet eenzelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar is.

6.

Indien het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft op verscheidene afzonderlijke feiten die hetzij naar het recht van zowel de uitvaardigende als de uitvoerende lidstaat strafbaar zijn, hetzij uitsluitend naar het recht van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn, maar waarvan één of meer van die feiten niet voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de hoogte van de straf, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, of onderdeel b, kan de overlevering ook voor deze feiten worden toegestaan, gelijktijdig met de overlevering voor het feit dat wel voldoet of de feiten die wel voldoen aan die voorwaarde.

7.

Artikel 51a van de Uitleveringswet is van overeenkomstige toepassing op overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie.