Article 10.3
in forceDuty to tolerate · Gedoogplichten van rechtswege
A party entitled to rights shall tolerate, on land situated on or in a surface water body the maintenance of which is carried out by or on behalf of the manager: the receipt on said land of dredged material or mown vegetation that is removed due to regular maintenance of that surface water body.
For the application of the first paragraph, lands that are separated from the surface water body by a road or by a strip of land that is too narrow to receive the mown material or the dredged material, shall be designated as lands situated adjacent to a surface water body.
A titleholder shall tolerate, in respect of land where the groundwater is affected by a water activity consisting of:
the extraction of groundwater by means of a facility intended for that purpose, or
the injection of water into the subsoil, for the purpose of replenishing groundwater, in conjunction with the extraction thereof,
insofar as that activity is carried out on the basis of an environmental permit or if a notification as referred to in Article 4.4, paragraph 1, is required for it: the extraction or introduction into the soil referred to under (a) and (b).
A titleholder shall tolerate, in respect of land situated in or forming part of a surface water body or a storage area: water nuisance and flooding resulting from the discharge or temporary storage of surface water.
A entitled party shall tolerate measures, within the framework of protecting the quality of groundwater bodies, included in:
a regional water programme as referred to in Article 3.8,
a programme of a water board as referred to in Article 3.7, or
a programme of the municipal executive (college van burgemeester en wethouders).
Een rechthebbende gedoogt bij gronden, gelegen aan of in een oppervlaktewaterlichaam waarvan het onderhoud wordt verricht door of namens de beheerder: het ontvangen op die gronden van specie of maaisel, dat vanwege regulier onderhoud van dat oppervlaktewaterlichaam wordt verwijderd.
Voor de toepassing van het eerste lid worden gronden die zijn gescheiden van het oppervlaktewaterlichaam vanwege een weg of door een grondstrook die te smal is om het maaisel of de specie te ontvangen, aangemerkt als gronden gelegen aan een oppervlaktewaterlichaam.
Een rechthebbende gedoogt bij gronden waar het grondwater invloed ondervindt van een wateractiviteit bestaande uit:
het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening, of
het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met dat onttrekken,
voor zover die activiteit wordt verricht op grond van een omgevingsvergunning of als daarvoor een melding als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, is vereist: het onder a en b bedoelde onttrekken of in de bodem brengen.
Een rechthebbende gedoogt bij gronden, gelegen in of deel uitmakend van een oppervlaktewaterlichaam of bergingsgebied: wateroverlast en overstromingen door de afvoer of tijdelijke berging van oppervlaktewater.
Een rechthebbende gedoogt maatregelen, in het kader van het beschermen van de kwaliteit van grondwaterlichamen, opgenomen in:
een regionaal waterprogramma als bedoeld in artikel 3.8,
een programma van een waterschap als bedoeld in artikel 3.7, of
een programma van het college van burgemeester en wethouders.