Dutch Legislation

Article 2.31

in force

Landelijke publieke mediadienst · Omroeporganisaties

Media Act 2008 · Title 2.2 · Section 2.2.2 · In force since 2014-01-01

Source
1.

Before Our Minister decides on the granting of a recognition or provisional recognition, he shall request the Council for Culture, the Commissariaat and the NPO to advise on an application within a period to be set by him.

2.

The absence of an opinion does not preclude the taking of a decision regarding the granting of a recognition or a provisional recognition.

3.

If an application has been submitted by a broadcasting association as referred to in Article 2.25, paragraph 3, point (b), the advice shall contain a concrete proposal for the merger of this applicant with one or more other applicants, aimed at the establishment of a collaborative broadcaster. The extent to which applicants can contribute to the execution of the public media remit at a national level, while observing their identity to be reflected in the media offering, shall be decisive for the content of the proposal.

4.

If the advice contains a proposal as referred to in the third paragraph, Our Minister shall, after consideration of the advice, provide the relevant applicants with the opportunity to submit a new application jointly as a collaborative broadcaster. Article 2.30 and the first paragraph shall apply.

1.

Voordat Onze Minister besluit over het verlenen van een erkenning of voorlopige erkenning vraagt hij de Raad voor cultuur, het Commissariaat en de NPO binnen een door hem te stellen termijn te adviseren over een aanvraag.

2.

Het uitblijven van een advies staat aan het nemen van een besluit over het verlenen van een erkenning of voorlopige erkenning niet in de weg.

3.

Als een aanvraag is ingediend door een omroepvereniging als bedoeld in artikel 2.25, derde lid, onderdeel b, bevat het advies een concreet voorstel voor het samengaan van deze aanvrager met een of meer andere aanvragers, gericht op de totstandkoming van een samenwerkingsomroep. De mate waarin aanvragers kunnen bijdragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau met inachtneming van hun in het media-aanbod te weerspiegelen identiteit, is bepalend voor de inhoud van het voorstel.

4.

Als het advies een voorstel als bedoeld in het derde lid bevat, stelt Onze Minister na overweging van het advies, de betreffende aanvragers in de gelegenheid als samenwerkingsomroep gezamenlijk een nieuwe aanvraag in te dienen. Artikel 2.30 en het eerste lid zijn van toepassing.