Dutch Legislation

Article 2.30

in force

Landelijke publieke mediadienst · Omroeporganisaties

Media Act 2008 · Title 2.2 · Section 2.2.2 · In force since 2021-01-01

Source
1.

An application for recognition or provisional recognition shall contain the articles of association of the applicant and a policy plan.

2.

The policy plan is aligned with the concession policy plan for the same period and shall in any case contain:

a.

the intended policy regarding the media offering, with due observance of the obligations for the media offering of the national public media service as laid down by or pursuant to this Act, specifying how the connection with society regarding the mission and identity of the broadcasting organization is demonstrated, other than through the number of members;

b.

the intentions and agreements regarding cooperation for the benefit of the national public media service with other applicants for a recognition or a provisional recognition, the NPO, the NOS or the NTR; and

c.

insofar as it concerns the policy plan of an applicant for a provisional recognition, the intentions and agreements regarding the manner in which its responsibility, as referred to in Article 2.88, paragraph 1, in the cooperation with the NTR or a broadcasting organization, as referred to in Article 2.26, paragraph 1, point f, is guaranteed.

3.

The part of the policy plan relating to cooperation may be submitted jointly by the relevant applicants.

4.

Further rules may be established by ministerial regulation regarding:

a.

the time and manner of submitting an application;

b.

the structure of an application and the policy plan; and

c.

the time limit and the manner in which a decision on an application is taken.

5.

With regard to one and the same broadcasting association, only one application may be granted.

1.

Een aanvraag voor een erkenning of voorlopige erkenning bevat de statuten van de aanvrager en een beleidsplan.

2.

Het beleidsplan is afgestemd op het concessiebeleidsplan voor dezelfde periode en bevat in elk geval:

a.

het voorgenomen beleid ten aanzien van het media-aanbod, met in achtneming van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen voor het media-aanbod van de landelijk publieke mediadienst, waarbij wordt aangegeven waaruit binding in de samenleving met de missie en identiteit van de omroeporganisatie blijkt anders dan uit het ledenaantal;

b.

de voornemens en afspraken over samenwerking ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst met andere aanvragers van een erkenning of een voorlopige erkenning, de NPO, de NOS of de NTR; en

c.

voor zover het betreft het beleidsplan van een aanvrager van een voorlopige erkenning, de voornemens en afspraken over de wijze waarop zijn verantwoordelijkheid, bedoeld in artikel 2.88, eerste lid, in de samenwerking met de NTR of een omroeporganisatie, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel f, is gewaarborgd.

3.

Het deel van het beleidsplan dat betrekking heeft op samenwerking kan door de desbetreffende aanvragers gezamenlijk worden ingediend.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over:

a.

het tijdstip en de wijze van indiening van een aanvraag;

b.

de inrichting van een aanvraag en het beleidsplan; en

c.

de termijn en wijze waarop een besluit op een aanvraag wordt genomen.

5.

Aangaande eenzelfde omroepvereniging kan slechts een aanvraag worden toegewezen.