Dutch Legislation

Article 18

in force

International Covenant on Civil and Political Rights (ICCPR) · In force since 1979-03-11

Source
1.

Everyone has the right to freedom of thought, conscience and religion. This right includes the freedom to have or to adopt a religion or belief of one's choice, as well as the freedom, either alone or in community with others and in public or private, to manifest his religion or belief in worship, observance, practice and teaching.

2.

No one shall be subject to coercion which would impair their freedom to have or to adopt a religion or belief of their own choice.

3.

The freedom of everyone to manifest their religion or belief may be limited only to such extent as is prescribed by law and is necessary for the protection of public safety, order, health, morals or the fundamental rights and freedoms of others.

4.

The States Parties to this Convention undertake to respect the liberty of parents or legal guardians to ensure the religious and moral education of their children in conformity with their own convictions.

1.

Een ieder heeft het recht op vrijheid van denken, geweten en godsdienst. Dit recht omvat mede de vrijheid een zelf gekozen godsdienst of levensovertuiging te hebben of te aanvaarden, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of levensovertuiging tot uiting te brengen door de eredienst, het onderhouden van de geboden en voorschriften, door praktische toepassing en het onderwijzen ervan.

2.

Op niemand mag dwang worden uitgeoefend die een belemmering zou betekenen van zijn vrijheid een door hemzelf gekozen godsdienst of levensovertuiging te hebben of te aanvaarden.

3.

De vrijheid van een ieder zijn godsdienst of levensovertuiging tot uiting te brengen kan slechts in die mate worden beperkt als wordt voorgeschreven door de wet en noodzakelijk is ter bescherming van de openbare veiligheid, de orde, de volksgezondheid, de goede zeden of de fundamentele rechten en vrijheden van anderen.

4.

De Staten die partij zijn bij dit Verdrag verbinden zich de vrijheid te eerbiedigen van ouders of wettige voogden, de godsdienstige en morele opvoeding van hun kinderen overeenkomstig hun eigen levensovertuiging te verzekeren.