Article 288
in forceDebt rescheduling scheme for natural persons (schuldsaneringsregeling natuurlijke personen) · The pronouncement of the application of the debt rescheduling scheme
The petition (application) referred to in Article 284, paragraph 1, shall only be granted if it is sufficiently plausible:
that the debtor will not be able to continue paying his debts;
that the debtor has been in good faith with respect to the incurring or leaving unpaid of his debts in the three years preceding the day on which the petition is filed; and
that the debtor will properly fulfill the obligations arising from the debt restructuring scheme and will make every effort to acquire as many assets as possible for the estate.
The petition is, however, rejected:
if the debt restructuring scheme is already applicable to the debtor;
if the attempt at an extrajudicial debt settlement has not been carried out by a person or institution as referred to in Article 48, paragraph 1, of the Consumer Credit Act; or
if the debtor has debts which arise from an irrevocable conviction as referred to in Article 358, paragraph 4, in respect of one or more criminal offences, which conviction has become irrevocable within five years prior to the day of the filing of the petition, unless the court sees reason to observe a longer period.
The petition may, notwithstanding paragraph 1, under b, and paragraph 2, under c, be granted if it is sufficiently plausible that the debtor has brought under control the circumstances which have been decisive for the arising or leaving unpaid of his debts.
Declaring the debt restructuring scheme applicable cannot be refused solely on the ground that there is no or insufficient prospect that creditors will receive full or partial payment on their claims.
If the petition is rejected, the debtor cannot be declared bankrupt ex officio.
Het verzoek, bedoeld in artikel 284, eerste lid, wordt slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is:
dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;
dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest; en
dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
Het verzoek wordt evenwel afgewezen:
indien de schuldsaneringsregeling reeds op de schuldenaar van toepassing is;
indien de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet; of
indien de schuldenaar schulden heeft welke voortvloeien uit een onherroepelijke veroordeling als bedoeld in artikel 358, vierde lid, ter zake van een of meer misdrijven, welke veroordeling onherroepelijk is geworden binnen vijf jaar voor de dag van indiening van het verzoek, tenzij de rechter aanleiding ziet een langere termijn in acht te nemen.
Het verzoek kan in afwijking van het eerste lid, onder b, en het tweede lid, onder c, worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen.
Het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling kan niet worden geweigerd uitsluitend op grond dat er geen of onvoldoende vooruitzicht bestaat dat schuldeisers algehele of gedeeltelijke betaling op hun vorderingen zullen ontvangen.
Indien het verzoek wordt afgewezen, kan de schuldenaar niet ambtshalve in staat van faillissement worden verklaard.