Dutch Legislation

Article 212rf

in force

Of bankruptcy · Of the bankruptcy of a bank · § Bank established in the Netherlands and bank established outside the European Economic Area with a branch in the Netherlands

Bankruptcy Act (Faillissementswet) · Title I · Section 11AA · § 1 · In force since 2021-12-21

Source
1.

To the extent that this does not already follow from the law, claims arising from own funds items, referred to in Article 2, paragraph 1, point 38, of the Directive on the recovery and resolution of banks and investment firms, shall be recovered from the estate after the claims that do not arise from an own funds item, referred to in that Article, in the following order:

a.

claims arising from capital instruments or subordinated debt instruments that meet the conditions of Article 63 of the Capital Requirements Regulation;

b.

claims arising from capital instruments that meet the conditions of Article 52, paragraph 1, of the Capital Requirements Regulation;

c.

claims arising from capital instruments that meet the conditions of Article 28, paragraphs 1 to 4, Article 29, paragraphs 1 to 5, or Article 31, paragraph 1, of the Capital Requirements Regulation.

2.

Claims that no longer arise from items of own funds as referred to in paragraph 1 shall be recovered from the estate immediately before the claims referred to in paragraph 1, unless a different change in the subordination has been agreed upon which is in accordance with the Capital Requirements Regulation.

3.

If a subordination of a claim follows from a reference to another subordinated claim and the subordination of one of those two claims is modified because it no longer arises from components of equity, that modification does not affect the subordination of the other claim.

4.

For the purposes of paragraph 1, insofar as an instrument is only partially recognised as an equity component, the entire instrument shall be treated as a claim arising from an equity component with a lower rank than claims that do not arise from an equity component.

1.

Voor zover dat niet reeds uit de wet volgt, worden vorderingen die voortvloeien uit bestanddelen van het eigen vermogen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 38, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, op de boedel verhaald na de vorderingen die niet voortvloeien uit een bestanddeel van het eigen vermogen, bedoeld in dat artikel, in de volgende volgorde:

a.

vorderingen uit hoofde van kapitaalinstrumenten of achtergestelde schuldinstrumenten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 63 van de verordening kapitaalvereisten;

b.

vorderingen uit hoofde van kapitaalinstrumenten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 52, eerste lid, van de verordening kapitaalvereisten;

c.

vorderingen uit hoofde van kapitaalinstrumenten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 28, eerste tot en met vierde lid, artikel 29, eerste tot en met vijfde lid, of artikel 31, eerste lid, van de verordening kapitaalvereisten.

2.

Vorderingen die niet langer voortvloeien uit bestanddelen van het eigen vermogen als bedoeld in het eerste lid worden op de boedel verhaald onmiddellijk voor de vorderingen, bedoeld in het eerste lid, tenzij een andere wijziging in de achterstelling is overeengekomen die in overeenstemming is met de verordening kapitaalvereisten.

3.

Indien een achterstelling van een vordering volgt uit een verwijzing naar een andere achtergestelde vordering en de achterstelling van een van die twee vordering wordt gewijzigd doordat zij niet langer voortvloeit uit bestanddelen van het eigen vermogen is die wijziging niet van invloed op de achterstelling van de andere vordering.

4.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt voor zover een instrument slechts gedeeltelijk als een eigenvermogensbestanddeel wordt erkend, het gehele instrument behandeld als een uit een eigenvermogensbestanddeel voortvloeiende vordering met een lagere rang dan vorderingen die niet voortvloeien uit een eigenvermogensbestanddeel.