Article 212ra
in forceOf bankruptcy · Of the bankruptcy of a bank · § Bank established in the Netherlands and bank established outside the European Economic Area with a branch in the Netherlands
The following claims are recovered from the estate after the claims referred to in Article 288 of Book 3 of the Civil Code and before the claims of unsecured creditors, in the following order:
claims in respect of covered deposits, including claims of the Deposit Guarantee Fund which, pursuant to Article 3:261, paragraph 5, of the Financial Supervision Act, has subrogated to the rights of the deposit holder in respect of a claim against the insolvent bank, as well as claims of the Deposit Guarantee Fund as referred to in Article 3:265e, paragraph 4, of the Financial Supervision Act;
claims in respect of the part of eligible deposits that is greater than the amount of the compensation determined pursuant to Article 3:259, paragraph 3, point (b), of the Financial Supervision Act, which deposits are held by natural persons and by micro, small and medium-sized enterprises, as well as of deposits, held by natural persons and by micro, small and medium-sized enterprises, which would be eligible deposits if they had not been held in branches located outside the European Union of banks with their corporate seat in the European Union.
Both within point (a) and within point (b) of paragraph 1, the claims have an equal rank among themselves.
De volgende vorderingen worden verhaald op de boedel na de vorderingen, genoemd in artikel 288 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en voor de vorderingen van concurrente schuldeisers, in de volgende volgorde:
vorderingen ter zake van gedekte deposito’s, met inbegrip van vorderingen van het Depositogarantiefonds die op grond van artikel 3:261, vijfde lid, van de Wet op het financieel toezicht in de rechten van de depositohouder ter zake van een vordering op de betalingsonmachtige bank is getreden, alsmede vorderingen van het Depositogarantiefonds als bedoeld in artikel 3:265e, vierde lid, van de Wet op het financieel toezicht;
vorderingen ter zake van het gedeelte van in aanmerking komende deposito’s dat groter is dan het bedrag van de vergoeding dat krachtens artikel 3:259, derde lid, onderdeel b, van de Wet op het financieel toezicht is vastgesteld, welke deposito’s worden aangehouden door natuurlijke personen en door micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, alsmede van deposito’s, aangehouden door natuurlijke personen en door micro-, kleine en middelgrote ondernemingen die in aanmerking komende deposito’s zouden zijn indien zij niet waren aangehouden in buiten de Europese Unie gelegen bijkantoren van banken met zetel in de Europese Unie.
Zowel binnen onderdeel a als binnen onderdeel b van het eerste lid hebben de vorderingen onderling een gelijke rang.