Article 1:336a
in forceCustody of minor children · Guardianship (voogdij) · § The supervision by the guardian over the person of the minor
If the minor has been cared for and raised as a member of the family by a person or persons other than his guardian, with the consent of the guardian, for at least one year, the guardian may not change the residence of the minor other than with the consent of those who have undertaken the care and upbringing.
Insofar as the consents required pursuant to the previous paragraph are not obtained, they may, at the petition of the guardian, be substituted by that of the court. This petition shall only be granted if the court deems this necessary in the interest of the minor.
In the event of a dismissal of the petition, the order shall remain in force for a period to be determined by the court, which may not exceed a duration of six months. If, however, before the end of this period, a petition for the supervision of the child, for the termination of guardianship, or a petition as referred to in Article 299a of this Book has been brought, the order shall remain in effect until the petition has been decided upon by a final and non-appealable judgment.
In the case of joint exercise of guardianship, the consent referred to in the first paragraph shall be given by both guardians.
Indien de minderjarige door een ander of anderen dan zijn voogd, als behorende tot het gezin met instemming van de voogd ten minste een jaar is verzorgd en opgevoed geworden, kan de voogd niet dan met toestemming van degenen die de verzorging en opvoeding op zich hebben genomen, wijziging in het verblijf van de minderjarige brengen.
Voor zover de volgens het vorige lid vereiste toestemmingen niet worden verkregen, kunnen zij op verzoek van de voogd door die van de rechtbank worden vervangen. Dit verzoek wordt slechts ingewilligd indien de rechtbank dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt.
In geval van afwijzing van het verzoek is de beschikking van kracht gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn, welke de duur van zes maanden niet te boven mag gaan. Is echter voor het einde van deze termijn een verzoek tot ondertoezichtstelling van het kind, tot beëindiging van de voogdij, dan wel een verzoek als bedoeld in artikel 299a, van dit boek aanhangig gemaakt, dan blijft de beschikking gelden, totdat op het verzoek bij gewijsde is beslist.
In geval van gezamenlijke uitoefening van de voogdij, wordt de in het eerste lid bedoelde instemming door beide voogden gegeven.