Dutch Legislation

Article 1:253q

in force

Custody of minor children · Common provisions on the exercise of custody by both parents or by one of them

Civil Code — Book 1 · Title 14 · Section 3 · In force since 2015-01-01

Source
1.

When one of the parents who jointly exercise authority over their minor children is disqualified from doing so on one of the grounds mentioned in Article 246, the other parent shall exercise authority over the children alone. When the ground for the disqualification has ceased to exist, the joint authority shall be reinstated by operation of law.

2.

When both parents who jointly exercise parental authority over their minor children are incompetent to do so on one of the grounds mentioned in Article 246, the court shall appoint a guardian.

3.

When a parent who exercises parental authority alone is incompetent to do so on one of the grounds mentioned in Article 246, the court shall charge the other parent with the authority, unless the court judges that the interests of the minor resist this. In that case, it shall appoint a guardian.

4.

The decisions referred to in the second and third paragraphs shall be rendered upon the petition of a parent, blood relatives or relatives by affinity of the minor, the Child Care and Protection Board (Raad voor de Kinderbescherming), the certified institution referred to in Article 1.1 of the Youth Act (Jeugdwet), a legal person accepted for that purpose by Our Minister of Security and Justice as referred to in Article 256, paragraph 1, and Article 302, paragraph 2, or ex officio (ambtshalve).

5.

When the ground for the lack of authority in respect of the parent who exercised authority alone has ceased to exist, the court shall, upon his petition, again charge this parent with authority, unless the court judges that the interests of the minor resist this. Upon the petition of the parents or one of them, the court may charge the parents with joint authority.

1.

Wanneer een van de ouders die gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen, op een der in artikel 246 genoemde gronden daartoe onbevoegd is, oefent de andere ouder alleen het gezag over de kinderen uit. Wanneer de grond van de onbevoegdheid is weggevallen, herleeft van rechtswege het gezamenlijke gezag.

2.

Wanneer beide ouders die gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen, daartoe op een der in artikel 246 genoemde gronden onbevoegd zijn, benoemt de rechtbank een voogd.

3.

Wanneer een ouder die alleen het gezag uitoefent, op een der in artikel 246 genoemde gronden daartoe onbevoegd is, belast de rechtbank de andere ouder met het gezag, tenzij de rechter oordeelt dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet. Alsdan benoemt zij een voogd.

4.

De in het tweede en derde lid bedoelde beslissingen worden gegeven op verzoek van een ouder, bloed- of aanverwanten van de minderjarige, de raad voor de kinderbescherming, de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, een rechtspersoon een daartoe door Onze Minister van Veiligheid en Justitie aanvaarde rechtspersoon als bedoeld in artikel 256, eerste lid, en artikel 302, tweede lid, of ambtshalve.

5.

Wanneer de grond van de onbevoegdheid ten aanzien van de ouder die het gezag alleen uitoefende, is vervallen, belast de rechtbank deze ouder op zijn verzoek wederom met het gezag tenzij de rechtbank oordeelt dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet. Op verzoek van de ouders of een van hen kan hij de ouders gezamenlijk met het gezag belasten.