Dutch Legislation

Article 2.30quinquies

in force

Defences and scope of nullity and lapse

Benelux Convention on Intellectual Property (BCIP) · Chapter 6quater · In force since 2019-03-01

Source
1.

Where, in proceedings for a declaration of invalidity based on a registered trademark with an earlier filing or priority date, the proprietor of the later trademark so requests, the proprietor of the earlier trademark shall furnish proof that, during the period of five years preceding the date of the filing of the application for a declaration of invalidity, the earlier trademark has been put to genuine use in accordance with Article 2.23bis in connection with the goods or services in respect of which it is registered and which are cited as justification for the application, or that there are proper reasons for non-use, provided that the registration process of the earlier trademark has been completed at least five years prior to the date of the filing of the application for a declaration of invalidity.

2.

Where the period of five years during which the earlier trademark had to be put to genuine use in accordance with Article 2.23bis has expired on the date of filing or the date of priority of the later trademark, the proprietor of the earlier trademark shall, in addition to the evidence required under paragraph 1, prove that the trademark was put to genuine use during the period of five years preceding the date of filing or the date of priority, or that there were proper reasons for non-use.

3.

In the absence of the evidence referred to in paragraphs 1 and 2, a claim for annulment based on an earlier trademark shall be dismissed.

4.

If the earlier trademark has been used in accordance with Article 2.23bis only for a part of the goods or services for which it is registered, it shall, for the purpose of the examination of the application for a declaration of invalidity, be deemed to be registered only for that part of the goods or services.

5.

Paragraphs 1 up to and including 4 shall also apply where the earlier trademark is an EU trademark. In that case, genuine use shall be determined in accordance with Article 18 of the EU Trademark Regulation.

1.

Wanneer in een procedure tot nietigverklaring op basis van een ingeschreven merk met een vroegere datum van indiening of van voorrang de houder van het jongere merk daarom verzoekt, levert de houder van het oudere merk het bewijs dat in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van indiening van de vordering om nietigverklaring het oudere merk normaal is gebruikt overeenkomstig artikel 2.23bis voor de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven en die ter rechtvaardiging van de vordering worden aangehaald, dan wel dat er geldige redenen voor het niet gebruik bestonden, op voorwaarde dat het inschrijvingsproces van het oudere merk op de datum van indiening van een vordering tot nietigverklaring minstens vijf jaar geleden is voltooid.

2.

Wanneer de periode van vijf jaar waarin het oudere merk normaal moest zijn gebruikt overeenkomstig artikel 2.23bis, op de datum van indiening of voorrang van het jongere merk is verstreken, bewijst de houder van het oudere merk naast het op grond van lid 1 vereiste bewijs dat het merk in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van indiening of voorrang normaal was gebruikt dan wel dat er geldige redenen voor het niet-gebruik bestonden.

3.

Bij gebreke van de in de leden 1 en 2 bedoelde bewijzen wordt een vordering tot nietigverklaring op basis van een ouder merk afgewezen.

4.

Indien het oudere merk overeenkomstig artikel 2.23bis slechts is gebruikt voor een deel van de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven, wordt het voor het onderzoek van de vordering tot nietigverklaring geacht alleen voor dat deel van de waren of diensten te zijn ingeschreven.

5.

De leden 1 tot en met 4 zijn ook van toepassing wanneer het oudere merk een Uniemerk is. In dat geval wordt het normale gebruik overeenkomstig artikel 18 van de Uniemerkenverordening vastgesteld.