Dutch Legislation

Article 18

in force

Old-age pension and the supplementary allowance · § Granting, commencement, revocation, revision and payment of the old-age pension

General Old Age Pensions Act (AOW) · Chapter III · § 2 · In force since 2012-01-01

Source
1.

Following the death of the person to whom an old-age pension has been granted, an old-age pension in the form of a death benefit shall be paid, effective from the day following the date of death:

a.

to the surviving spouse;

b.

in the absence of the person referred to in point (a), to the minor children with whom the deceased had a family law relationship;

c.

in the absence of the persons referred to in points (a) and (b), to those with whom the deceased lived in a family unit.

2.

The death benefit shall be equal to the amount of the old-age pension for one month, excluding the supplement, calculated according to the amount of the old-age pension in the month of death of the person to whom the old-age pension was granted.

3.

The death benefit shall be paid out by the Social Insurance Bank (Sociale verzekeringsbank) to the entitled person or persons, either ex officio or upon petition.

4.

The death benefit shall be paid in a lump sum to the person or persons entitled thereto.

5.

The amount of the death benefit shall be reduced by the amount of the old-age pension that has already been paid out in respect of days occurring after the death.

6.

The death benefit is not subject to attachment.

1.

Na het overlijden van degene, aan wie ouderdomspensioen is toegekend, wordt met ingang van de dag na het overlijden, ouderdomspensioen in de vorm van een overlijdensuitkering uitbetaald:

a.

aan de langstlevende van de echtgenoten;

b.

bij ontstentenis van de in onderdeel a bedoelde persoon, aan de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond;

c.

bij ontstentenis van de in de onderdelen a en b bedoelde personen, aan degenen met wie de overledene in gezinsverband leefde.

2.

De overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van het ouderdomspensioen over één maand, met uitzondering van de toeslag, berekend naar de hoogte van het ouderdomspensioen in de maand van overlijden van degene aan wie ouderdomspensioen is toegekend.

3.

De overlijdensuitkering wordt ambtshalve of op verzoek aan de rechthebbende of rechthebbenden door de Sociale verzekeringsbank uitbetaald.

4.

De overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens aan de rechthebbende of rechthebbenden uitbetaald.

5.

Het bedrag van de overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan ouderdomspensioen dat, over na het overlijden gelegen dagen, reeds is uitbetaald.

6.

De overlijdensuitkering is niet vatbaar voor beslag.