Dutch Legislation

Article 1

in force

Sickness Benefits Act (ZW) · Section Eerste · § 1 · In force since 2024-01-01

Source
1.

For the purposes of this Act and the decrees adopted for its implementation, the following definitions shall apply:

a.

Our Minister: Our Minister of Social Affairs and Employment;

b.

Employee Insurance Agency (Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen): the Employee Insurance Agency, referred to in Chapter 5 of the Work and Income Implementation Organisation Structure Act (Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen);

c.

bodies: legal persons, partnerships (maat- en vennootschappen), forms of cooperation without legal personality which can be socially equated with associations, enterprises of public law legal persons and purpose-oriented funds (doelvermogens);

d.

foreign national: as defined in the Aliens Act 2000 (Vreemdelingenwet 2000);

e.

unpaid leave: a leave of absence agreed upon between the employer and the employee for a part or the whole of the working hours, during which the employee performs no work for the employer;

f.

lawfully deprived of his liberty: lawfully deprived of his liberty, except for the cases referred to in the Compulsory Mental Health Care Act (Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg), in the Care and Coercion (Psychogeriatric and Intellectually Disabled Clients) Act (Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten) and in Article 2.3 of the Forensic Care Act (Wet forensische zorg);

g.

judicial establishment: a penitentiary institution, an institution for the treatment of persons subject to a TBS order (ter beschikking gestelden), or an establishment as referred to in Article 1, subparagraph b, of the Young Offenders Institutions (Principles) Act (Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen);

h.

self-insurer (eigenrisicodrager): the employer to whom the permission has been granted as referred to in Article 40, paragraph 1, opening words and part (a), of the Social Insurance Funding Act (Wet financiering sociale verzekeringen);

i.

public sector employer: the employer as referred to in Article 1, subparagraph k, of the Public Servants (Social Insurance) Act (Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen);

j.

continental shelf: the exclusive economic zone of the Kingdom, as referred to in Article 1 of the Kingdom Act establishing an exclusive economic zone, insofar as it borders the territorial sea of the Netherlands;

k.

custodial sentence or measure involving deprivation of liberty: a custodial sentence or a measure involving deprivation of liberty imposed by a judgment that has become final, as referred to in the Criminal Code;

l.

minimum wage: the minimum wage as referred to in Article 8, paragraph 1, subparagraph (b), of the Minimum Wage and Minimum Holiday Allowance Act or, if it concerns a person under the age of 21, the minimum wage applicable to their age pursuant to Articles 7, paragraph 3, and 8, paragraph 3, of that Act;

m.

foreign fighter (uitreiziger): a person in respect of whom it has appeared, on the basis of a notification from the investigation services or intelligence and security services addressed to the Employee Insurance Agency (Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen), that there is a reasonable suspicion that this person is outside the Netherlands for the purpose of joining an organisation that has been placed on the list of organisations referred to in Article 14, paragraph 4, of the Netherlands Nationality Act (Rijkswet op het Nederlanderschap).

n.

occupational physician: the person, as referred to in Article 14, paragraph 1, of the Working Conditions Act (Arbeidsomstandighedenwet), who is charged with the assistance as referred to in Article 14, paragraph 1, subparagraph b, of that Act;

o.

occupational health and safety service (arbodienst): a service as referred to in Article 14a, paragraphs 2 and 3, of the Working Conditions Act (Arbeidsomstandighedenwet).

2.

For the purposes of this Act and the decrees issued for its implementation, the following shall be equated with:

a.

spouse: registered partner;

b.

spouses; registered partners;

c.

married: registered as a partner.

3.

For the application of this Act and of the decrees adopted for its implementation:

a.

regarded as married or as a spouse shall be the unmarried person of age who maintains a joint household with another unmarried person of age, unless it concerns a relative by blood in the first degree;

b.

a person who lives permanently separated from the person to whom he is married shall also be deemed to be unmarried.

4.

A joint household exists if two persons have their main residence in the same dwelling and they demonstrate that they care for each other by providing a contribution to the costs of the household or otherwise.

5.

A joint household is in any event deemed to exist if the persons concerned have their principal residence in the same dwelling and:

a.

they have been married to each other or have previously been equated therewith for the purposes of this Act;

b.

a child has been born of their relationship or a child of one has been acknowledged by the other;

c.

they have mutually committed themselves to a contribution to the household pursuant to a valid cohabitation agreement; or

d.

they are, on the basis of a registration, designated as a joint household which, by its nature and purpose, corresponds to the joint household referred to in the fourth paragraph.

6.

It shall be determined by administrative order which registrations, and during which period, shall be taken into account for the application of paragraph 5, subparagraph (d).

7.

By administrative regulation, rules may be established regarding what is understood by demonstrating the provision of care for another person, as referred to in paragraph 4.

8.

A relative by blood in the first degree as referred to in paragraph 3, subparagraph a, shall be deemed to include an adult child by marriage or an adult former foster child of the unmarried adult.

9.

A former foster child as referred to in paragraph 8 means a foster child for whom the unmarried person of age received or receives a foster care allowance pursuant to the Youth Care Act (Wet op de jeugdzorg) or the Youth Act (Jeugdwet), or received a child benefit pursuant to the General Child Benefit Act (Algemene Kinderbijslagwet).

1.

Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt verstaan onder:

a.

Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

b.

Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

c.

lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens;

d.

vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000;

e.

onbetaald verlof: een tussen werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen verlof, waarin de werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht;

f.

rechtens zijn vrijheid is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is ontnomen, behoudens de gevallen, bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, in de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten en in artikel 2.3 van de Wet forensische zorg;

g.

justitiële inrichting: een penitentiaire inrichting, een instelling voor de verpleging van ter beschikking gestelden, of een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;

h.

eigenrisicodrager: de werkgever aan wie de toestemming is verleend, bedoeld in artikel 40, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet financiering sociale verzekeringen;

i.

overheidswerkgever: de werkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen;

j.

continentaal plat: de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone, voor zover deze grenst aan de territoriale zee van Nederland;

k.

vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht;

l.

minimumloon: het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag of, indien het een persoon jonger dan 21 jaar betreft, het op grond van de artikelen 7, derde lid, en 8, derde lid, van die wet voor zijn leeftijd geldende minimumloon;

m.

uitreiziger: persoon ten aanzien van wie op grond van een melding van de opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten, gericht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, is gebleken dat het gegronde vermoeden bestaat dat deze persoon zich buiten Nederland bevindt met het doel om zich aan te sluiten bij een organisatie die is geplaatst op de lijst van organisaties, bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap.

n.

bedrijfsarts: de persoon, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, die belast is met de bijstand, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van die wet;

o.

arbodienst: arbodienst: een dienst als bedoeld in artikel 14a, tweede en derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet.

2.

Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt gelijkgesteld met:

a.

echtgenoot: geregistreerde partner;

b.

echtgenoten: geregistreerde partners;

c.

gehuwd: als partner geregistreerd.

3.

Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt:

a.

als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;

b.

als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

4.

Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

5.

Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:

a.

zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;

b.

uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;

c.

zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of

d.

zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde lid.

6.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel d.

7.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in het vierde lid.

8.

Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige.

9.

Onder voormalig pleegkind als bedoeld in het achtste lid wordt verstaan een pleegkind voor wie de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de Wet op de jeugdzorg of de Jeugdwet, of kinderbijslag ontving op grond van de Algemene Kinderbijslagwet.