Dutch Legislation

Article 32

in force

Procedure · Judicial proceedings

Transfer of Sentence Enforcement Act (WOTS) · Chapter III · Section C · In force since 2023-01-01

Source
1.

Both the public prosecutor and the convicted person may lodge an appeal in cassation against the decision of the court concerning the petition for enforcement.

2.

The registrar of the court shall forthwith notify Our Minister of any declarations by which the right to lodge an appeal in cassation is waived, or by which such an appeal is withdrawn.

3.

The public prosecutor is, under penalty of inadmissibility, obliged to file a written statement containing his grounds for cassation with the Supreme Court within one month after having lodged an appeal in cassation.

4.

The convicted person who has lodged an appeal in cassation is, under penalty of inadmissibility, required to have a written statement containing his grounds for cassation submitted to the Supreme Court by his counsel before the hearing date.

5.

The presiding judge shall determine the date of the hearing after consultation with the Procurator General. The Procurator General shall serve notice of the date determined for the hearing of the appeal upon the convicted person at least eight days prior to the date of the hearing. This period may be shortened with the consent of the convicted person, provided that such consent is evidenced in the same manner as prescribed in Article 265, paragraph 2, of the Code of Criminal Procedure. In the absence of timely notice, the Supreme Court shall order the notice of a new date for the hearing, unless counsel has appeared on behalf of the convicted person. In the latter case, an adjournment may be granted at the request of said counsel.

6.

In cases where the hearing of the appeal is adjourned or suspended for a certain period during the session, no new notification shall be served upon the convicted person.

7.

Articles 431, 432, 432a, 434, paragraph 1, 438, 439, 440, paragraph 1, 441, 442, 443, 444, 449, paragraph 1, 450, 451, 451a, 452, 453, 454, paragraphs 1, 2 and 3, 455, paragraph 1, and 456 of the Code of Criminal Procedure shall apply mutatis mutandis.

8.

If the decision against which an appeal has been lodged was rendered by a single-judge chamber, the appeal in cassation shall be heard by a chamber of the Supreme Court consisting of three justices.

9.

If the decision of the court is quashed in whole or in part, the Supreme Court shall, where possible, dispose of the case itself. If the Supreme Court cannot dispose of the case itself, it may either remit the case to the court whose decision has been quashed or refer it to another court. In that event, Articles 18-28, 29, paragraph 2, 30 and 31 and the preceding paragraphs of this Article shall apply again.

10.

The Supreme Court shall without delay send a certified copy of its judgment to Our Minister.

11.

If the Supreme Court refers the case to another court, a deprivation of liberty ordered pursuant to Article 29 shall, without prejudice to the provisions of the final paragraph of that article, remain in effect until the moment at which that court decides on the continued detention.

1.

Tegen de uitspraak van de rechtbank betreffende het verzoek tot tenuitvoerlegging kan zowel door de officier van justitie als door de veroordeelde beroep in cassatie worden ingesteld.

2.

Van verklaringen waarbij afstand wordt gedaan van het recht om beroep in cassatie in te stellen, of waarbij een zodanig beroep wordt ingetrokken, geeft de griffier van de rechtbank onverwijld kennis aan Onze Minister.

3.

De officier van justitie is, op straffe van niet-ontvankelijkheid, verplicht om binnen een maand nadat hij beroep in cassatie heeft ingesteld, bij de Hoge Raad een schriftuur in te dienen, houdende zijn middelen van cassatie.

4.

De veroordeelde die cassatieberoep heeft ingesteld, is op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht om vóór de dienende dag bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur te doen indienen, houdende zijn middelen van cassatie.

5.

De voorzitter bepaalt na overleg met de procureur-generaal de rechtsdag. De procureur-generaal doet de dag voor de behandeling van het beroep bepaald ten minste acht dagen vóór de rechtsdag aanzeggen aan de veroordeelde. Deze termijn kan, met toestemming van de veroordeelde, worden bekort indien van die toestemming blijkt op overeenkomstige wijze als bepaald in artikel 265, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Bij gebreke van tijdige aanzegging wordt door de Hoge Raad de aanzegging van een nieuwe rechtsdag bevolen, tenzij voor de veroordeelde een raadsman is verschenen. In dat laatste geval kan op diens verzoek uitstel worden verleend.

6.

In de gevallen waarin op de zitting de behandeling van het beroep voor een bepaalde tijd wordt uitgesteld of geschorst, heeft geen nieuwe aanzegging aan de veroordeelde plaats.

7.

De artikelen 431, 432, 432a, 434, eerste lid, 438, 439, 440, eerste lid, 441, 442, 443, 444, 449, eerste lid, 450, 451, 451a, 452, 453, 454, eerste, tweede en derde lid, 455, eerste lid, en 456 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

8.

Indien de uitspraak waartegen beroep is ingesteld is gedaan door een enkelvoudige kamer, wordt het beroep in cassatie behandeld door een uit drie raadsheren bestaande Kamer van de Hoge Raad.

9.

Indien de uitspraak van de rechtbank geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd doet de Hoge Raad in geval dat mogelijk is zelf de zaak af. Indien de Hoge Raad de zaak niet zelf kan afdoen kan hij deze hetzij terugwijzen naar de rechtbank, wier uitspraak vernietigd is, hetzij verwijzen naar een andere rechtbank. Alsdan vinden de artikelen 18-28, 29, tweede lid, 30 en 31 en de voorgaande leden van dit artikel wederom toepassing.

10.

De Hoge Raad zendt aan Onze Minister onverwijld een gewaarmerkt afschrift van zijn arrest toe.

11.

Indien de Hoge Raad de zaak verwijst naar een andere rechtbank blijft een krachtens artikel 29 bevolen vrijheidsbeneming, onverminderd het bepaalde in het laatste lid van dat artikel, van kracht tot het tijdstip waarop die rechtbank over de gevangenhouding beslist.