Article 13c
in forceProvisional measures · Seizure
The provisions of the third paragraph of Article 13 and the fourth paragraph of Article 13a do not preclude seized objects from being surrendered, upon request, to the requesting foreign state for the purpose of the imposition and enforcement of a forfeiture order or a sanction aimed at the deprivation of illegally obtained benefits. To this end, seized objects shall be placed at the disposal of the public prosecutor, insofar as the court, with due observance of the applicable treaty, grants leave for this purpose.
The authorisation required pursuant to the first paragraph shall only be granted subject to the proviso that, upon delivery to the foreign authorities, it is stipulated that the objects shall be returned, even if they have been declared forfeit or confiscated as unlawfully obtained advantage, in which case they shall be transferred in ownership to the Dutch State, or that the requesting state shall remit to the Dutch State a sum of money, to be determined by Our Minister, corresponding to the whole or a part of the value of the objects. Our Minister may decide to waive the claim to the remittance of the stipulated sum of money if the requesting state demonstrates that the delivered objects have been transferred to third-party beneficiaries.
The hearing of a petition or claim for the granting of leave by the chambers (raadkamer) shall take place in public. The provisions of the sixth section of Title I of Book I of the Code of Criminal Procedure shall apply mutatis mutandis to the hearing.
An appeal in cassation may be lodged by the Public Prosecution Service within fourteen days of the date of the order, and by the other parties to the proceedings within fourteen days of the date of the letter by which the order was sent.
Het bepaalde in het derde lid van artikel 13 en in het vierde lid van artikel 13a staat er niet aan in de weg, dat inbeslaggenomen voorwerpen desverzocht worden overgeleverd aan de verzoekende vreemde staat met het oog op de oplegging en tenuitvoerlegging van een verbeurdverklaring of van een tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel strekkende sanctie. Daartoe worden inbeslaggenomen voorwerpen ter beschikking van de officier van justitie gesteld, voor zover de rechtbank, met inachtneming van het toepasselijke verdrag, daartoe verlof verleent.
Het krachtens het eerste lid vereiste verlof wordt slechts verleend onder het voorbehoud, dat bij de afgifte aan de buitenlandse autoriteiten wordt bedongen, dat de voorwerpen worden teruggezonden, ook wanneer deze zijn verbeurd verklaard of als wederrechtelijk verkregen voordeel ontnomen, in welk geval zij in eigendom aan de Nederlandse staat worden overgedragen, dan wel dat de verzoekende staat een door Onze Minister te bepalen geldbedrag, overeenkomende met het geheel of een deel van de waarde van de voorwerpen, aan de Nederlandse staat doet overmaken. Onze Minister kan besluiten af te zien van de aanspraak op overmaking van het bedongen geldbedrag, indien de verzoekende staat aantoont dat de afgegeven voorwerpen zijn overgedragen aan derden rechthebbenden.
De behandeling van een verzoek of vordering tot verlening van verlof door de raadkamer geschiedt in het openbaar. Op de behandeling is het bepaalde in de zesde afdeling van Titel I van Boek I van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
Beroep in cassatie kan door het openbaar ministerie worden ingesteld binnen veertien dagen na de dagtekening der beschikking en door de overige procesdeelnemers binnen veertien dagen na de dagtekening van de brief waarmee de beschikking is toegezonden.