Article 21a
in forceApproved institutions · General provisions
The approved institution shall not provide assets to an affiliated undertaking other than by means of contributing capital upon its incorporation or by providing that undertaking with a loan as referred to in Article 21, paragraph 1, point f, upon its incorporation. Following such incorporation, it shall not provide any form of guarantee for that undertaking.
The approved institution shall not provide to an undertaking connected to it on 1 July 2015 any capital other than the capital it has provided to that undertaking up to that date, and shall not otherwise provide guarantees for that undertaking than as it has done up to that date. The guarantees provided by it to such an undertaking up to that date relate exclusively to activities of that undertaking which were commenced before that date, or with respect to which it appears from written documents, relating exclusively to those activities, that the commencement thereof is intended. Regulations may be issued by or pursuant to an Order in Council regarding the application of the second sentence.
The authorised institution may request Our Minister for an exemption from a prohibition as referred to in the first or second paragraph, upon which request Our Minister shall decide in accordance with regulations to be laid down in that regard by Order in Council.
The first, second and third paragraphs shall not apply to the provision of capital to and the provision of guarantees for partnerships (samenwerkingsvennootschappen).
De toegelaten instelling verschaft een met haar verbonden onderneming niet anderszins vermogen dan door middel van het bij haar oprichting inbrengen van kapitaal of het aan die onderneming bij haar oprichting verstrekken van een lening als bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel f. Zij stelt zich na die oprichting niet in enigerlei opzicht garant voor die onderneming.
De toegelaten instelling verschaft een op 1 juli 2015 met haar verbonden onderneming geen ander vermogen dan het vermogen dat zij tot dat tijdstip aan die onderneming heeft verschaft, en stelt zich niet anderszins voor die onderneming garant dan zoals zij dat tot dat tijdstip heeft gedaan. De door haar aan een zodanige onderneming tot dat tijdstip gedane garantstellingen hebben uitsluitend betrekking op werkzaamheden van die onderneming waarmee voor dat tijdstip een aanvang is gemaakt, of met betrekking tot welke uit schriftelijke, uitsluitend op die werkzaamheden betrekking hebbende, stukken blijkt dat het maken van die aanvang wordt beoogd. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van de tweede volzin.
De toegelaten instelling kan Onze Minister verzoeken om een ontheffing van een verbod als bedoeld in het eerste of tweede lid, op welk verzoek Onze Minister beslist overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur daaromtrent te geven voorschriften.
Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op het verschaffen van vermogen aan en garantstellingen voor samenwerkingsvennootschappen.