Dutch Legislation

Article 128

in force

The Public Prosecution Service · Tasks and powers

Judiciary Organisation Act · Chapter 4 · Section 1 · In force since 2020-01-01

Source
1.

Our Minister shall provide the Board of Procurators General with the opportunity to make its views known before he issues an instruction in a specific case regarding the exercise of the tasks and powers of the Public Prosecution Service.

2.

Our Minister shall notify the Board in writing of the intended instruction and the grounds thereof. Our Minister may set a time limit for the Board to make its views known. The views of the Board shall be provided in writing and shall be substantiated.

3.

An instruction as referred to in the first paragraph shall be given in writing and shall be substantiated.

4.

Only if the instruction cannot be given in writing due to the required urgency, may it be given orally. In that case, it shall be recorded in writing as soon as possible, but in any event within one week thereafter. The foregoing shall apply mutatis mutandis to the notification of an intended instruction by Our Minister and to the submission of the opinion by the Board.

5.

The instruction referred to in the first paragraph, together with the intended instruction and the opinion of the Board, shall be added to the case documents by the public prosecutor or the advocate general; insofar as the interest of the State, in the opinion of Our Minister, precludes this, addition to the case documents shall be omitted, on the understanding that in such a case a statement shall be added to the case documents indicating that an instruction has been issued.

6.

If it concerns an instruction not to initiate or continue an investigation or prosecution, Our Minister shall inform both Houses of the States-General as soon as possible of the instruction, the intended instruction, and the opinion of the Board, insofar as the provision of the relevant documents is not contrary to the interest of the state.

1.

Onze Minister stelt het College van procureurs-generaal in de gelegenheid zijn zienswijze kenbaar te maken voordat hij in een concreet geval een aanwijzing geeft betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie.

2.

Onze Minister deelt het College de voorgenomen aanwijzing en de motivering daarvan schriftelijk mede. Onze Minister kan het College voor het kenbaar maken van zijn zienswijze een termijn stellen. De zienswijze van het College wordt schriftelijk en gemotiveerd gegeven.

3.

Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, wordt schriftelijk en gemotiveerd gegeven.

4.

Slechts indien de aanwijzing in verband met de vereiste spoed niet schriftelijk kan worden gegeven, kan zij mondeling worden gegeven. In dat geval wordt zij zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen een week daarna op schrift gesteld. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing op het mededelen van een voorgenomen aanwijzing door Onze Minister en voor het geven van de zienswijze door het College.

5.

De in het eerste lid bedoelde aanwijzing wordt, tezamen met de voorgenomen aanwijzing en de zienswijze van het College, door de officier van justitie of de advocaat-generaal bij de processtukken gevoegd. Voor zover het belang van de staat zich naar het oordeel van Onze Minister daartegen verzet, blijft voeging bij de processtukken achterwege, met dien verstande dat in dat geval bij de processtukken een verklaring wordt gevoegd waaruit blijkt dat een aanwijzing is gegeven.

6.

Indien het betreft een aanwijzing tot het niet of niet verder opsporen of vervolgen, stelt Onze Minister de beide Kamers der Staten-Generaal zo spoedig mogelijk in kennis van de aanwijzing, de voorgenomen aanwijzing en de zienswijze van het College, voor zover het verstrekken van de desbetreffende stukken niet in strijd is met het belang van de staat.