Dutch Legislation

Article 86

in force

Judicial proceedings · COUNCIL FOR THE JUDICIARY · § Organization

Judiciary Organisation Act · Chapter 2 · Section 6 · § 1 · In force since 2023-07-01

Source
1.

During their term of appointment as a member of the Council, the judicial members of the Council shall receive, in lieu of the salary in accordance with the provisions laid down by or pursuant to Articles 1ab and 7 of the Legal Status of Judicial Officers Act (Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren), a salary to be determined by general administrative order corresponding to the position of chair or other judicial member of the Council.

2.

A member of the Council shall be dismissed by Royal Decree upon the recommendation of Our Minister upon the acceptance of an office or position that, pursuant to Article 84, is incompatible with membership of the Council. A non-judicial member of the Council shall also be dismissed as a member of the Council by Royal Decree upon the recommendation of Our Minister if they are appointed as a judicial officer charged with the administration of justice, a member of the Central Appeals Tribunal (Centrale Raad van Beroep) charged with the administration of justice, or a member of the Trade and Industry Appeals Tribunal (College van Beroep voor het bedrijfsleven) charged with the administration of justice.

3.

A judicial member of the Council shall be dismissed or suspended, respectively, as a member of the Council by Royal Decree upon the recommendation of Our Minister if he is dismissed or suspended, respectively, as a judicial officer charged with the administration of justice or as a member charged with the administration of justice of the Central Appeals Tribunal (Centrale Raad van Beroep) or the Trade and Industry Appeals Tribunal (College van Beroep voor het bedrijfsleven), unless that dismissal or suspension solely concerns a judicial office that he does not hold on the basis of an appointment as referred to in Article 5f, paragraph 1, of the Legal Status of Judicial Officers Act (Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren).

4.

A judicial member of the Council shall be dismissed by Royal Decree upon their own petition, on the recommendation of Our Minister.

5.

A non-judicial member of the Council shall be subject to disciplinary punishment, suspension, and dismissal by Royal Decree upon the recommendation of Our Minister.

6.

With regard to a non-judicial member of the Council, the powers under the Public Servants Act 2017 (Ambtenarenwet 2017) and Title 10 of Book 7 of the Civil Code shall be exercised by the Council, excluding the non-judicial member of the Council. Further rules regarding the exercise of powers concerning the legal status of a non-judicial member by the Council, excluding the non-judicial member, shall be laid down by or pursuant to an Order in Council.

7.

Rules shall be established by or pursuant to an Order in Council regarding the exercise of legal status powers with respect to a judicial member by the Council, excluding the judicial member.

8.

Further rules regarding the legal position of the members of the Council shall be established by or pursuant to an Order in Council, including in any event rules concerning the salary of the members of the Council.

9.

Article 3, part (a), of the Public Servants Act 2017 (Ambtenarenwet 2017) does not apply to a non-judicial member of the Council.

1.

De rechterlijke leden van de Raad ontvangen gedurende hun benoemingsduur als lid van de Raad, in plaats van het salaris overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de artikelen 1ab en 7 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen salaris behorende bij de functie van voorzitter of ander rechterlijk lid van de Raad.

2.

Een lid van de Raad wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen bij de aanvaarding van een ambt dat of een betrekking die volgens artikel 84 onverenigbaar is met het lidmaatschap van de Raad. Een niet-rechterlijk lid van de Raad wordt tevens als lid van de Raad bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen indien hij wordt benoemd als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast, met rechtspraak belast lid van de Centrale Raad van Beroep of met rechtspraak belast lid van het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

3.

Een rechterlijk lid van de Raad wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen onderscheidenlijk geschorst als lid van de Raad indien hij als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast dan wel met rechtspraak belast lid van de Centrale Raad van Beroep of het College van Beroep voor het bedrijfsleven wordt ontslagen onderscheidenlijk geschorst, tenzij dat ontslag of die schorsing alleen een rechtsprekend ambt betreft dat hij niet op basis van een aanstelling als bedoeld in artikel 5f, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren vervult.

4.

Een rechterlijk lid van de Raad wordt op eigen verzoek bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen.

5.

Een niet-rechterlijk lid van de Raad wordt disciplinair gestraft, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister.

6.

Ten aanzien van een niet-rechterlijk lid van de Raad worden de bevoegdheden uit de Ambtenarenwet 2017 en titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek uitgeoefend door de Raad, uitgezonderd het niet-rechterlijk lid van de Raad. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de uitoefening van rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van een niet-rechterlijk lid door de Raad uitgezonderd het niet-rechterlijk lid.

7.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de uitoefening van rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van een rechterlijk lid door de Raad uitgezonderd het rechterlijk lid.

8.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de rechtspositie van de leden van de Raad, waaronder in ieder geval regels betreffende het salaris van de leden van de Raad.

9.

Artikel 3, onderdeel a, van de Ambtenarenwet 2017 is niet van toepassing op een niet-rechterlijk lid van de Raad.