Dutch Legislation

Article 1

in force

General provisions

Housing Benefit Act · Chapter 1 · In force since 2025-01-01

Source

In this Act and the provisions based thereon, the following definitions apply:

a.

mayor and aldermen: the mayor and aldermen of the municipality in which the dwelling to which the rent subsidy relates is situated;

b.

Rent Tribunal: the Rent Tribunal (huurcommissie), as referred to in Article 3a, paragraph 1, of the Implementation Act on Rental Prices for Residential Space;

c.

tenant: a person who has his principal residence in a dwelling rented by him, including a residential caravan, unless:

1°.

the lease agreement concerns a use of the dwelling that, by its nature, is only of short duration, or

2°.

the dwelling forms part of a hotel, boarding house, camp or holiday accommodation business, regardless of the duration of the lease agreement;

d.

rental price: the price which is due for the mere use of a residential property in the case of a lease and letting;

e.

rent benefit: a contribution from the State as referred to in Article 2, paragraph 1, point h, of the General Act on Income-Related Schemes (Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen) towards the costs of renting a dwelling;

f.

subtenant: a person as referred to in Article 2, paragraph 1, point (e), sub 2°, of the General Act on Income-Related Schemes (Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen);

g.

Our Minister: Our Minister of Housing and Spatial Planning;

h.

calculated rent: the calculated rent as referred to in Article 5;

i.

reckonable income: the joint assessment incomes, as referred to in Article 8 of the General Act on Income-Related Schemes (Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen), which are taken into account for the determination of the ability to pay, as referred to in Article 7 of that Act;

j.

pitch: a plot of land intended for the placement of a residential caravan, equipped with facilities that can be connected to the mains of public utility companies, other institutions, or municipalities;

k.

dwelling: a built immovable property insofar as it is let as independent living accommodation, a non-self-contained floor or other non-self-contained living accommodation, as well as the immovable appurtenances;

l.

mobile home: a building intended for habitation that is placed on a pitch and that can be moved in its entirety or in parts.

In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt verstaan onder:

a.

burgemeester en wethouders: burgemeester en wethouders van de gemeente waar de woning is gelegen waarop de huurtoeslag betrekking heeft;

b.

huurcommissie: de huurcommissie, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte;

c.

huurder: persoon die zijn hoofdverblijf heeft in een door hem gehuurde woning, daaronder begrepen een woonwagen, tenzij:

1°.

de overeenkomst van huur en verhuur een gebruik van de woning betreft dat naar zijn aard slechts van korte duur is, of

2°.

de woning onderdeel uitmaakt van een hotel-, pension-, kamp- of vakantiebestedingsbedrijf, ongeacht de duur van de huurovereenkomst;

d.

huurprijs: de prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woning;

e.

huurtoeslag: een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in de kosten van het huren van een woning;

f.

onderhuurder: persoon als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, onder 2°, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;

g.

Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening;

h.

rekenhuur: de rekenhuur, bedoeld in artikel 5;

i.

rekeninkomen: de gezamenlijke toetsingsinkomens, bedoeld in artikel 8 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, die in aanmerking worden genomen voor het bepalen van de draagkracht, bedoeld in artikel 7 van die wet;

j.

standplaats: kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten;

k.

woning: een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige woonruimte, onvrije etage dan wel andere onzelfstandige woonruimte is verhuurd, alsmede de onroerende aanhorigheden;

l.

woonwagen: voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst.