Article 27a
in forceUnemployment benefit · § Enforcement of the right to maintenance
The UWV shall impose an administrative fine of at most the amount of the loss incurred due to the non-compliance or improper compliance by the employee with the obligation referred to in Article 25. If the facts and circumstances referred to in Article 25 have not been disclosed or have been disclosed improperly and this violation was committed intentionally, the administrative fine shall be at most the amount of the fifth category referred to in Article 23, paragraph 4, of the Criminal Code. If the facts and circumstances referred to in Article 25 have not been disclosed or have been disclosed improperly and this violation was not committed intentionally, the administrative fine shall be at most the amount of the third category referred to in Article 23, paragraph 4, of the Criminal Code.
In this Article, the amount of prejudice shall be understood to mean the gross amount of the benefit received wrongfully or in an excessively high amount as a result of the failure to perform, or the improper performance of, the obligation referred to in Article 25.
If the non-performance or improper performance by the employee of the obligation referred to in Article 25 has not led to an amount of prejudice, the UWV shall impose an administrative fine of at most the amount of the second category, referred to in Article 23, paragraph 4, of the Criminal Code.
The UWV may refrain from imposing an administrative fine and suffice with issuing a written warning for the failure or improper fulfillment by the employee of the obligation referred to in Article 25, in situations to be determined by administrative order (algemene maatregel van bestuur), unless the failure or improper fulfillment of the obligation occurs within a period of two years calculated from the date on which such a warning was previously issued to the employee.
The UWV shall impose an administrative fine for the non-fulfilment or improper fulfilment by the employee of the obligation referred to in Article 25, as a result of which benefits were received unjustly or in an amount that is too high, of at most 150 percent of the amount of the loss incurred, with corresponding application of the first paragraph, if within a period of five years prior to the day of the commission of the violation, a previous administrative fine or criminal sanction was imposed for a previous violation consisting of the same conduct, which has become final.
The same conduct as referred to in the fifth paragraph shall be understood to mean the failure to comply, or the failure to properly comply, with the obligation referred to in Articles 25 of this Act, 12 of the Supplementary Benefits Act (Toeslagenwet), 12, first paragraph, of the Act on Income Provision for Older Unemployed Persons (Wet inkomensvoorziening oudere werklozen), 80 of the Invalidity Insurance Act (Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering), 27, first paragraph, of the Work and Income according to Labour Capacity Act (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen), 31, first paragraph, or 49 of the Sickness Benefits Act (Ziektewet), as a result of which a benefit, sickness benefit or supplement has been granted unjustly or at too high an amount.
By way of derogation from paragraph 5, the five-year period referred to in that paragraph shall be ten years if, on account of the previous offence referred to in paragraph 5, the employee was sentenced to an unconditional term of imprisonment.
The UWV may refrain from imposing an administrative fine if urgent reasons for doing so exist.
The person upon whom an administrative fine has been imposed is obliged, upon request, to provide the UWV with the information that is relevant for the enforcement of the administrative fine.
Further rules shall be established by administrative order (algemene maatregel van bestuur) regarding the amount of the administrative fine.
Rules may be established by ministerial regulation regarding the manner of enforcement of the decision by which the administrative fine was imposed.
By way of derogation from Article 8:69 of the General Administrative Law Act, the court in an appeal or a further appeal may also amend the amount at which the administrative fine has been determined to the detriment of the employee.
If, in respect of a violation for which an administrative fine has been imposed, there has been no intent or gross negligence, and it has furthermore appeared that within one year after the administrative fine was imposed, no further violation has been committed for the same conduct as referred to in the sixth paragraph, the UWV is authorised, at the petition of the person upon whom the administrative fine was imposed, to remit the administrative fine in whole or in part in the event of cooperation in a debt settlement. Article 36c, first, third and fourth paragraphs, shall apply mutatis mutandis.
The decision on remission, as referred to in the thirteenth paragraph, shall be revoked or revised to the detriment of the person upon whom the administrative fine was imposed if, within five years after the decision on remission, a violation has again been committed on account of the same conduct as referred to in the sixth paragraph.
Het UWV legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting, bedoeld in artikel 25. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 25, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 25, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 25, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen.
Indien het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting, bedoeld in artikel 25, niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, legt het UWV een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Het UWV kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting, bedoeld in artikel 25, in situaties die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing is gegeven.
Het UWV legt een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting, bedoeld in artikel 25, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen, van ten hoogste 150 procent van het benadelingsbedrag, met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden.
Onder eenzelfde gedraging als bedoeld in het vijfde lid wordt verstaan het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in de artikelen 25 van deze wet, 12 van de Toeslagenwet, 12, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, 80 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 27, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, 31, eerste lid, of 49 van de Ziektewet, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering, ziekengeld of toeslag is verleend.
In afwijking van het vijfde lid is het in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de werknemer is gestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Het UWV kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het UWV de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd.
In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de werknemer wijzigen.
Indien ten aanzien van een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd geen sprake is geweest van opzet of grove schuld, en voorts is gebleken dat binnen een jaar nadat de bestuurlijke boete is opgelegd niet nogmaals een overtreding wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in het zesde lid is begaan, is het UWV bevoegd op verzoek van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, de bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden bij medewerking aan een schuldregeling. Artikel 36c, eerste, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Het besluit tot kwijtschelding, bedoeld in het dertiende lid, wordt ingetrokken of ten nadele van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd herzien indien binnen vijf jaar na het besluit tot kwijtschelding wederom een overtreding is begaan wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in het zesde lid.