Dutch Legislation

Article 65

in force

Departure, removal and transfer, entry ban and declaration of undesirability · Uitzetting en overdracht

Aliens Act 2000 (Vw 2000) · Chapter 6 · Section 2 · In force since 2004-09-15

Source
1.

The foreigner:

a.

who has entered the Netherlands on board a vessel or aircraft operated by a transport undertaking and who is required to leave the Netherlands immediately, or

b.

A person who has been detained with a view to his deportation within six months after he has entered on board a vessel or aircraft operated by a transport undertaking, may be deported by placement on board a vessel or aircraft operated by the same transport undertaking.

2.

The transport undertaking shall, upon the instruction of an official charged with border surveillance, transport the foreign national referred to in the first paragraph back to a place outside the Netherlands free of charge and shall, if necessary, find another means for the return for that purpose. If this is not possible within a reasonable time, or, in the case referred to in the first paragraph under (b), not possible within a reasonable time after the apprehension, the costs of removal from the Netherlands may be recovered from that transport undertaking.

3.

Masters of vessels and aircraft shall provide all cooperation for the removal of the foreign national that the official charged with border surveillance may reasonably demand.

4.

The first paragraph, under (b), shall not apply to the foreign national who enjoys lawful residence until a later point in time than that of the departure of the vessel or aircraft on board which he entered.

1.

De vreemdeling:

a.

die Nederland is binnengekomen aan boord van een vaartuig of luchtvaartuig in gebruik bij een vervoersonderneming en die Nederland onmiddellijk dient te verlaten, of

b.

die met het oog op zijn uitzetting is aangehouden binnen zes maanden nadat hij is binnengekomen aan boord van een vaartuig of luchtvaartuig in gebruik bij een vervoersonderneming, kan worden uitgezet door plaatsing aan boord van een vaartuig of luchtvaartuig in gebruik bij dezelfde vervoersonderneming.

2.

De vervoersonderneming vervoert op aanwijzing van een ambtenaar belast met de grensbewaking de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, om niet terug naar een plaats buiten Nederland en vindt daartoe zo nodig een ander middel voor de terugbrenging. Is zulks niet binnen redelijke tijd mogelijk, of, in het geval bedoeld in het eerste lid, onder b, niet binnen redelijke tijd na de aanhouding mogelijk, dan kunnen de kosten van uitzetting uit Nederland op die vervoersonderneming worden verhaald.

3.

Gezagvoerders van vaartuigen en luchtvaartuigen verlenen aan de uitzetting van de vreemdeling alle medewerking die de ambtenaar belast met de grensbewaking redelijkerwijs kan vorderen.

4.

Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing op de vreemdeling die rechtmatig verblijf geniet tot een later tijdstip dan dat van vertrek van het vaartuig of luchtvaartuig aan boord waarvan hij is binnengekomen.