Dutch Legislation

Article 86

in force

JURISDICTION AND PROCEDURE IN LEGAL ACTIONS RELATING TO COMMUNITY DESIGNS

Community Designs Regulation 6/2002 · Chapter 9 · In force since None

Source

1. Where in a proceeding before a Community design court the Community design has been put in issue by way of a counterclaim for a declaration of invalidity:

(a) if any of the grounds mentioned in Article 25 are found to prejudice the maintenance of the Community design, the court shall declare the Community design invalid;

(b) if none of the grounds mentioned in Article 25 is found to prejudice the maintenance of the Community design, the court shall reject the counterclaim.

2. The Community design court with which a counterclaim for a declaration of invalidity of a registered Community design has been filed shall inform the Office of the date on which the counterclaim was filed. The latter shall record this fact in the register.

3. The Community design court hearing a counterclaim for a declaration of invalidity of a registered Community design may, on application by the right holder of the registered Community design and after hearing the other parties, stay the proceedings and request the defendant to submit an application for a declaration of invalidity to the Office within a time limit which the court shall determine. If the application is not made within the time limit, the proceedings shall continue; the counterclaim shall be deemed withdrawn. Article 91(3) shall apply.

4. Where a Community design court has given a judgment which has become final on a counterclaim for a declaration of invalidity of a registered Community design, a copy of the judgment shall be sent to the Office. Any party may request information about such transmission. The Office shall mention the judgment in the register in accordance with the provisions of the implementing regulation.

5. No counterclaim for a declaration of invalidity of a registered Community design may be made if an application relating to the same subject matter and cause of action, and involving the same parties, has already been determined by the Office in a decision which has become final.

1. Wanneer in een procedure voor een rechtbank voor het Gemeenschapsmodel een reconventionele vordering tot nietigverklaring van het Gemeenschapsmodel wordt ingesteld,

a) verklaart de rechtbank voor het Gemeenschapsmodel het Gemeenschapsmodel nietig, indien blijkt dat een van de in artikel 25 genoemde gronden een beletsel vormt voor de instandhouding van het Gemeenschapsmodel;

b) wijst de rechtbank voor het Gemeenschapsmodel de reconventionele vordering af, indien blijkt dat geen van de in artikel 25 genoemde gronden een beletsel vormt voor de instandhouding van het Gemeenschapsmodel.

2. Wanneer bij een rechtbank voor het Gemeenschapsmodel een reconventionele vordering tot nietigverklaring van een ingeschreven Gemeenschapsmodel wordt ingesteld, deelt deze rechtbank de datum van instelling van die vordering mee aan het Bureau. Het Bureau maakt hiervan melding in het register.

3. Indien bij een rechtbank voor het Gemeenschapsmodel een reconventionele vordering tot nietigverklaring van een ingeschreven Gemeenschapsmodel wordt ingesteld, kan het op verzoek van de houder van het ingeschreven Gemeenschapsmodel, en na de andere partijen te hebben gehoord, de procedure schorsen en de gedaagde uitnodigen om binnen een door hem te bepalen termijn bij het Bureau een vordering tot nietigverklaring in te stellen. Indien deze vordering niet binnen de bepaalde termijn wordt ingesteld, wordt de procedure voortgezet; de reconventionele vordering wordt dan als ingetrokken beschouwd. Artikel 91, lid 3, is van toepassing.

4. Wanneer een rechtbank voor het Gemeenschapsmodel zich bij in kracht van gewijsde gegane beslissing over een reconventionele vordering tot nietigverklaring van een ingeschreven Gemeenschapsmodel heeft uitgesproken, wordt een afschrift van de beslissing aan het Bureau gezonden. Elke partij kan inlichtingen over deze toezending vragen. Het Bureau vermeldt de beslissing overeenkomstig de uitvoeringsverordening in het register.

5. Een reconventionele vordering tot nietigverklaring van een ingeschreven Gemeenschapsmodel mag niet worden ingesteld, indien het Bureau reeds een beslissing heeft genomen, die in kracht van gewijsde is gegaan en die hetzelfde voorwerp en dezelfde partijen betreft en op dezelfde gronden berust.