Dutch Legislation

Article 77

in force

IMPLEMENTATION, COOPERATION, PENALTIES AND ENFORCEMENT

Regulation (EU) 2022/2065 — Digital Services Act · Chapter 4 · In force since None

Source

1. The powers conferred on the Commission by Articles 74 and 76 shall be subject to a limitation period of five years.

2. Time shall begin to run on the day on which the infringement is committed. However, in the case of continuing or repeated infringements, time shall begin to run on the day on which the infringement ceases.

3. Any action taken by the Commission or by the Digital Services Coordinator for the purpose of the investigation or proceedings in respect of an infringement shall interrupt the limitation period for the imposition of fines or periodic penalty payments. Actions which interrupt the limitation period shall include, in particular, the following:

(a) requests for information by the Commission or by a Digital Services Coordinator;

(b) inspection;

(c) the opening of a proceeding by the Commission pursuant to Article 66(1).

4. Each interruption shall start time running afresh. However, the limitation period for the imposition of fines or periodic penalty payments shall expire at the latest on the day on which a period equal to twice the limitation period has elapsed without the Commission having imposed a fine or a periodic penalty payment. That period shall be extended by the time during which the limitation period has been suspended pursuant to paragraph 5.

5. The limitation period for the imposition of fines or periodic penalty payments shall be suspended for as long as the decision of the Commission is the subject of proceedings pending before the Court of Justice of the European Union.

1. Voor de bij de artikelen 74 en 76 aan de Commissie verleende bevoegdheden geldt een verjaringstermijn van vijf jaar.

2. De verjaringstermijn gaat in op de dag waarop de inbreuk is gepleegd. Bij voortdurende of voortgezette inbreuken gaat de verjaringstermijn echter pas in op de dag waarop de inbreuk is beëindigd.

3. De verjaringstermijn voor de oplegging van geldboeten of dwangsommen wordt gestuit door elke handeling van de Commissie of de digitaledienstencoördinator ten behoeve van het onderzoek of de procedure met betrekking tot de inbreuk. Handelingen die de verjaringstermijn stuiten, zijn met name:

a) verzoeken om informatie door de Commissie of door een digitaledienstencoördinator;

b) inspectie;

c) de inleiding van een procedure door de Commissie krachtens artikel 66, lid 1.

4. Na elke stuiting gaat een nieuwe verjaringstermijn in. De verjaring voor de oplegging van geldboeten of dwangsommen treedt echter uiterlijk in op de dag waarop een termijn gelijk aan tweemaal de verjaringstermijn is verstreken zonder dat de Commissie een geldboete of een dwangsom heeft opgelegd. Deze termijn wordt verlengd met de periode gedurende welke de verjaringstermijn krachtens lid 5 werd gestuit.

5. De verjaringstermijn voor de oplegging van geldboeten en dwangsommen wordt geschorst zolang over het besluit van de Commissie een procedure aanhangig is bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.