Article 58
in forceIMPLEMENTATION, COOPERATION, PENALTIES AND ENFORCEMENT
1. Unless the Commission has initiated an investigation for the same alleged infringement, where a Digital Services Coordinator of destination has reason to suspect that a provider of an intermediary service has infringed this Regulation in a manner negatively affecting the recipients of the service in the Member State of that Digital Services Coordinator, it may request the Digital Services Coordinator of establishment to assess the matter and to take the necessary investigatory and enforcement measures to ensure compliance with this Regulation.
2. Unless the Commission has initiated an investigation for the same alleged infringement, and at the request of at least three Digital Services Coordinators of destination that have reason to suspect that a specific provider of intermediary services infringed this Regulation in a manner negatively affecting recipients of the service in their Member States, the Board may request the Digital Services Coordinator of establishment to assess the matter and take the necessary investigatory and enforcement measures to ensure compliance with this Regulation.
3. A request pursuant to paragraph 1 or 2 shall be duly reasoned, and shall at least indicate:
(a) the point of contact of the provider of the intermediary services concerned as provided for in Article 11;
(b) a description of the relevant facts, the provisions of this Regulation concerned and the reasons why the Digital Services Coordinator that sent the request, or the Board, suspects that the provider infringed this Regulation, including the description of the negative effects of the alleged infringement;
(c) any other information that the Digital Services Coordinator that sent the request, or the Board, considers relevant, including, where appropriate, information gathered on its own initiative or suggestions for specific investigatory or enforcement measures to be taken, including interim measures.
4. The Digital Services Coordinator of establishment shall take utmost account of the request pursuant to paragraphs 1 or 2 of this Article. Where it considers that it has insufficient information to act upon the request and has reasons to consider that the Digital Services Coordinator that sent the request, or the Board, could provide additional information, the Digital Services Coordinator of establishment may either request such information in accordance with Article 57 or, alternatively, may launch a joint investigation pursuant to Article 60(1) involving at least the requesting Digital Services Coordinator. The period laid down in paragraph 5 of this Article shall be suspended until that additional information is provided or until the invitation to participate in the joint investigation is refused.
5. The Digital Services Coordinator of establishment shall, without undue delay and in any event not later than two months following receipt of the request pursuant to paragraph 1 or 2, communicate to the Digital Services Coordinator that sent the request, and the Board, the assessment of the suspected infringement and an explanation of any investigatory or enforcement measures taken or envisaged in relation thereto to ensure compliance with this Regulation.
1. Tenzij de Commissie een onderzoek naar dezelfde vermeende inbreuk heeft ingesteld, kan een digitaledienstencoördinator van de plaats van bestemming die redenen heeft om te vermoeden dat een aanbieder van een tussenhandeldienst deze verordening heeft geschonden op een manier die negatieve gevolgen heeft voor de afnemers van de dienst in de lidstaat van die digitaledienstencoördinator, de digitaledienstencoördinator van de plaats van vestiging verzoeken de zaak te beoordelen en de nodige onderzoeks- en handhavingsmaatregelen te nemen om de naleving van deze verordening te waarborgen.
2. Tenzij de Commissie een onderzoek naar dezelfde vermeende inbreuk heeft ingesteld en op verzoek van ten minste drie digitaledienstencoördinatoren van de plaats van bestemming die redenen hebben om te vermoeden dat een bepaalde aanbieder van tussenhandeldiensten deze verordening heeft geschonden op een wijze die negatieve gevolgen heeft voor afnemers van de dienst in hun lidstaten, kan de digitaledienstenraad de digitaledienstencoördinator van de plaats van vestiging verzoeken de zaak te beoordelen en de nodige onderzoeks- en handhavingsmaatregelen te nemen om de naleving van deze verordening te waarborgen.
3. Een verzoek krachtens de leden 1 of 2 wordt naar behoren gemotiveerd en vermeldt ten minste:
a) het contactpunt van de betrokken aanbieder van de tussenhandeldiensten, zoals bedoeld in artikel 11;
b) een beschrijving van de relevante feiten, de betrokken bepalingen van deze verordening en de redenen waarom de digitaledienstencoördinator die het verzoek heeft verzonden, of de raad, vermoedt dat de aanbieder deze verordening heeft geschonden, met inbegrip van een beschrijving van de negatieve gevolgen van de vermeende inbreuk;
c) alle andere informatie die de digitaledienstencoördinator die het verzoek heeft verzonden, of de raad, relevant acht, met inbegrip van, waar passend, informatie die op eigen initiatief is verzameld of suggesties voor specifieke onderzoeks- of handhavingsmaatregelen die moeten worden genomen, waaronder voorlopige maatregelen.
4. De digitaledienstencoördinator van de plaats van vestiging houdt zoveel mogelijk rekening met het verzoek krachtens lid 1 of lid 2 van dit artikel. Indien hij van mening is dat hij over onvoldoende informatie beschikt om gevolg te geven aan het verzoek en redenen heeft om aan te nemen dat de digitaledienstencoördinator die het verzoek heeft verzonden, of de raad, aanvullende informatie zou kunnen verstrekken, kan de digitaledienstencoördinator van de plaats van vestiging om deze informatie verzoeken overeenkomstig artikel 57, dan wel een gezamenlijk onderzoek starten krachtens artikel 60, lid 1, waarbij ten minste de verzoekende digitaledienstencoördinator wordt betrokken. De in lid 5 van dit artikel vastgelegde termijn wordt geschorst totdat deze aanvullende informatie is verstrekt of totdat de uitnodiging om deel te nemen aan het gezamenlijke onderzoek wordt geweigerd.
5. De digitaledienstencoördinator van de plaats van vestiging deelt, onverwijld en in elk geval niet later dan twee maanden na ontvangst van het verzoek krachtens de lid 1 of lid 2, de beoordeling van de vermeende inbreuk mee aan de digitaledienstencoördinator die het verzoek heeft verzonden en aan de raad, samen met een toelichting van eventuele onderzoeks- of handhavingsmaatregelen die in verband daarmee zijn genomen of overwogen om de naleving van deze verordening te waarborgen.