Article 97
in forcePROCEDURE
1. In any proceedings before the Office, the means of giving or obtaining evidence shall include the following:
(a) hearing the parties;
(b) requests for information;
(c) the production of documents and items of evidence;
(d) hearing witnesses;
(e) opinions by experts;
(f) statements in writing sworn or affirmed or having a similar effect under the law of the State in which the statement is drawn up.
2. The relevant department may commission one of its members to examine the evidence adduced.
3. If the Office considers it necessary for a party, witness or expert to give evidence orally, it shall issue a summons to the person concerned to appear before it. The period of notice provided in such summons shall be at least one month, unless they agree to a shorter period.
4. The parties shall be informed of the hearing of a witness or expert before the Office. They shall have the right to be present and to put questions to the witness or expert.
5. The Executive Director shall determine the amounts of expenses to be paid, including advances, as regards the costs of taking of evidence as referred to in this Article.
6. The Commission is empowered to adopt delegated acts in accordance with Article 208 specifying the detailed arrangements for the taking of evidence.
1. In de procedure voor het Bureau zijn onder meer de volgende bewijsmiddelen toegelaten:
a) horen van partijen;
b) inwinnen van inlichtingen;
c) overleggen van documenten en monsters;
d) getuigenverhoor;
e) deskundigenonderzoek;
f) schriftelijke verklaringen die onder ede of belofte zijn afgelegd of overeenkomstig het recht van de staat waar zij afgelegd zijn, een soortgelijke werking hebben.
2. De betrokken dienst kan het onderzoek van deze bewijsmiddelen opdragen aan een van zijn leden.
3. Indien het Bureau het nodig acht dat een partij, een getuige of een deskundige een mondelinge verklaring aflegt, roept het deze persoon daartoe op. De termijn van een dergelijke dagvaarding bedraagt ten minste één maand, tenzij zij met een kortere termijn instemmen.
4. De partijen worden in kennis gesteld van het verhoor van een getuige of deskundige door het Bureau. Zij hebben het recht daarbij aanwezig te zijn en de getuige of deskundige vragen te stellen.
5. De uitvoerend directeur bepaalt de vergoedingen voor de uitgaven, met inbegrip van voorschotten, voor de in dit artikel bedoelde bewijsvoering.
6. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 208 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van de nadere regels voor de bewijsvoering.