Dutch Legislation

Article 38

in force

APPLICATION FOR EU TRADE MARKS

EU Trade Mark Regulation 2017/1001 · Chapter 3 · In force since None

Source

1. If an applicant for an EU trade mark has displayed goods or services under the mark applied for, at an official or officially recognised international exhibition falling within the terms of the Convention relating to international exhibitions signed at Paris on 22 November 1928 and last revised on 30 November 1972, he may, if he files the application within a period of six months of the date of the first display of the goods or services under the mark applied for, claim a right of priority from that date within the meaning of Article 36. The priority claim shall be filed together with the EU trade mark application.

2. An applicant who wishes to claim priority pursuant to paragraph 1 shall file evidence of the display of goods or services under the mark applied for within three months of the filing date.

3. An exhibition priority granted in a Member State or in a third country shall not extend the period of priority laid down in Article 34.

4. The Commission shall adopt implementing acts specifying the type and details of evidence to be filed for claiming an exhibition priority in accordance with paragraph 2 of this Article. Those implementing acts shall be adopted in accordance with the examination procedure referred to in Article 207(2).

1. Indien de aanvrager van een Uniemerk waren of diensten onder het aangevraagde merk exposeert op een officiële of officieel erkende internationale tentoonstelling in de zin van het Verdrag betreffende internationale tentoonstellingen, ondertekend te Parijs op 22 november 1928 en laatstelijk herzien op 30 november 1972, kan hij zich, wanneer hij de aanvraag indient binnen zes maanden na de datum van de eerste expositie van de waren of diensten onder het aangevraagde merk, vanaf die datum beroepen op het recht van voorrang in de zin van artikel 36. Het beroep op voorrang wordt samen met de aanvraag voor een Uniemerk ingediend.

2. De aanvrager die krachtens lid 1 voorrang wil inroepen, moet bewijzen dat hij de waren of diensten onder het binnen drie maanden na de indieningsdatum aangevraagde merk heeft tentoongesteld.

3. Voorrang voor een tentoonstelling, toegekend in een lidstaat of een derde land, verlengt de voorrangstermijn van artikel 34 niet.

4. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met betrekking tot de aard en de details van het in te dienen bewijs voor een beroep op voorrang in geval van tentoonstelling overeenkomstig lid 2 van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 207, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.