Article 153
in forceTHE OFFICE
1. Without prejudice to the functions attributed to the Budget Committee in Section 6, the Management Board shall have the following functions:
(a) on the basis of a draft submitted by the Executive Director in accordance with Article 157(4)(c), adopting the annual work programme of the Office for the coming year, taking into account the opinion of the Commission, and forwarding the adopted annual work programme to the European Parliament, to the Council and to the Commission;
(b) on the basis of a draft submitted by the Executive Director in accordance with Article 157(4)(e) and taking into account the opinion of the Commission, adopting a multiannual strategic programme for the Office, including the Office's strategy for international cooperation, following an exchange of views between the Executive Director and the relevant committee in the European Parliament, and forwarding the adopted multiannual strategic programme to the European Parliament, to the Council and to the Commission;
(c) on the basis of a draft submitted by the Executive Director in accordance with Article 157(4)(g), adopting the annual report and forwarding the adopted annual report to the European Parliament, to the Council, to the Commission and to the Court of Auditors;
(d) on the basis of a draft submitted by the Executive Director in accordance with Article 157(4)(h), adopting the multiannual staff policy plan;
(e) exercising the powers conferred on it under Article 152(2);
(f) exercising the powers conferred on it under Article 172(5);
(g) adopting rules on the prevention and management of conflicts of interest in the Office;
(h) in accordance with paragraph 2, exercising, with respect to the staff of the Office, the powers conferred by the Staff Regulations on the Appointing Authority and by the Conditions of Employment on the Authority Empowered to Conclude Contracts of Employment (‘the appointing authority powers’);
(i) adopting appropriate implementing rules to give effect to the Staff Regulations and the Conditions of Employment in accordance with Article 110 of the Staff Regulations;
(j) drawing up the list of candidates provided for in Article 158(2);
(k) ensuring adequate follow-up to the findings and recommendations stemming from the internal or external audit reports and evaluations referred to in Article 210, as well as from investigations of the European Anti-fraud Office (OLAF);
(l) being consulted before adoption of the guidelines for examination in the Office and in the other cases provided for in this Regulation;
(m) providing opinions and requests for information to the Executive Director and to the Commission where it considers it necessary.
2. The Management Board shall adopt, in accordance with Article 110 of the Staff Regulations and Article 142 of the Conditions of Employment, a decision based on Article 2(1) of the Staff Regulations and on Article 6 of the Conditions of Employment, delegating the relevant appointing authority powers to the Executive Director and defining the conditions under which that delegation of appointing authority powers can be suspended.
The Executive Director shall be authorised to sub-delegate those powers.
Where exceptional circumstances so require, the Management Board may, by way of a decision, temporarily suspend the delegation of the appointing authority powers to the Executive Director and those sub-delegated by the latter, and exercise them itself or delegate them to one of its members or to a staff member other than the Executive Director.
1. Onverminderd de taken die in afdeling 6 aan het Begrotingscomité zijn opgedragen, heeft de raad van bestuur de volgende taken:
a) op basis van een ontwerp dat overeenkomstig artikel 157, lid 4, onder c), door de uitvoerend directeur is ingediend, het vaststellen, rekening houdend met het advies van de Commissie, van het jaarlijks werkprogramma van het Bureau voor het komende jaar, en het doen toekomen daarvan aan het Europees Parlement, aan de Raad en aan de Commissie;
b) op basis van een ontwerp dat overeenkomstig artikel 157, lid 4, onder e), door de uitvoerend directeur is ingediend, het vaststellen, rekening houdend met het advies van de Commissie en na overleg tussen de uitvoerend directeur en de bevoegde commissie van het Europees Parlement, van een strategisch meerjarenprogramma voor het Bureau, dat de strategie van het Bureau voor internationale samenwerking bevat, en het doen toekomen daarvan aan het Europees Parlement, aan de Raad en aan de Commissie;
c) op basis van een ontwerp dat overeenkomstig artikel 157, lid 4, onder g), door de uitvoerend directeur is ingediend, het vaststellen van het jaarverslag, en het doen toekomen daarvan aan het Europees Parlement, aan de Raad, aan de Commissie en aan de Rekenkamer;
d) op basis van een ontwerp dat overeenkomstig artikel 157, lid 4, onder h), door de uitvoerend directeur is ingediend, het vaststellen van het meerjarenplan inzake personeelsbeleid;
e) het uitoefenen van de hem bij artikel 152, lid 2, verleende bevoegdheden;
f) het uitoefenen van de hem bij artikel 172, lid 5, verleende bevoegdheden;
g) het vaststellen van regels inzake de voorkoming en regeling van belangenconflicten in het Bureau;
h) overeenkomstig lid 2, met betrekking tot het personeel van het Bureau, het uitoefenen van de bevoegdheden die krachtens het Statuut aan het tot aanstelling bevoegde gezag zijn toegekend en die krachtens de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden zijn toegekend aan het tot het sluiten van arbeidscontracten bevoegde gezag („de bevoegdheden tot aanstelling”);
i) het vaststellen, overeenkomstig artikel 110 van het Statuut, van passende regels ter uitvoering van het Statuut en van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden;
j) het opstellen van de in artikel 158, lid 2, genoemde kandidatenlijst;
k) het zorgen voor adequate follow-up van de bevindingen en aanbevelingen die voortvloeien uit de interne en externe auditverslagen en de in artikel 210 bedoelde evaluaties, alsmede uit de onderzoeken van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF);
l) het geraadpleegd worden voordat de richtsnoeren voor het onderzoek in het Bureau worden vastgesteld, en in de andere in deze verordening bepaalde gevallen;
m) indien hij dit nodig acht, het verstrekken van adviezen en het verzoeken om inlichtingen aan de uitvoerend directeur en de Commissie.
2. Overeenkomstig artikel 110 van het Statuut van de ambtenaren en artikel 142 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden neemt de raad van bestuur op basis van artikel 2, lid 1, van het Statuut en artikel 6 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, een besluit waarbij de desbetreffende bevoegdheden tot aanstelling aan de uitvoerend directeur worden gedelegeerd en de voorwaarden worden bepaald waaronder die delegatie van de bevoegdheden tot aanstelling kan worden geschorst.
De uitvoerend directeur kan deze bevoegdheden op zijn beurt delegeren.
Wanneer uitzonderlijke omstandigheden dit vereisen, kan de raad van bestuur een besluit nemen om de delegatie van de bevoegdheden tot aanstelling aan de uitvoerend directeur en de door hem verleende subdelegatie tijdelijk te schorsen en deze bevoegdheden zelf uit te oefenen dan wel te delegeren aan een van zijn leden of aan een ander personeelslid dan de uitvoerend directeur.