Paragraph C1/7
in forceEx officio assessment · Asylum procedure
Upon rejection of the first application for a residence permit for asylum as (manifestly) unfounded, the IND shall, pursuant to Article 3.6a of the Aliens Decree (Vreemdelingenbesluit), assess ex officio whether the alien qualifies for the granting of a fixed-term regular residence permit on one of the grounds mentioned in Article 3.6a, paragraph 1, of the Aliens Decree.
The IND shall treat a subsequent application for the grant of a temporary asylum residence permit as a first application within the meaning of Article 3.6a of the Aliens Decree (Vreemdelingenbesluit), if the previous application was not taken into consideration on the basis of Article 30 of the Aliens Act (Vreemdelingenwet) and that ground for refusal is no longer applicable. This also applies if a new application is submitted after a previous application has been set aside without consideration, unless the foreign national has previously submitted an application that was refused (see Article 30c, paragraph 2, of the Aliens Act).
In the ex officio assessment of whether the foreign national is eligible for a fixed-term regular residence permit on the basis of Article 3.6a, paragraph 1, under (a) of the Aliens Decree (Vreemdelingenbesluit) (expulsion in violation of Article 8 ECHR), the IND shall apply paragraph B7/3.8 of the Aliens Circular (Vreemdelingencirculaire) (8 ECHR) accordingly.
In the ex officio assessment of whether the foreign national qualifies for a regular fixed-term residence permit pursuant to Article 3.6a, paragraph 1, under (b) of the Aliens Decree (Vreemdelingenbesluit), the IND applies paragraph B8/3.1 of the Aliens Circular (Vreemdelingencirculaire) under the heading Ex officio grant in the asylum procedure.
Insofar as there is cause to do so on the basis of Article 3.6ba of the Aliens Decree (Vreemdelingenbesluit) and paragraph B11/2.5 of the Aliens Circular (Vreemdelingencirculaire), the IND shall, in the case of a first asylum application, assess whether there is cause on the basis of Article 3.6ba of the Aliens Decree to grant a regular residence permit ex officio (ambtshalve).
With regard to the ex officio assessment on the basis of Article 6.1e of the Aliens Decree (Vreemdelingenbesluit), reference is made to paragraph A3/7.2.3 of the Aliens Circular (Vreemdelingencirculaire).
The IND shall omit the ex officio assessment as referred to in Article 3.6a of the Aliens Decree (Vreemdelingenbesluit), if a heavy entry ban (Article 66a, paragraph 7, of the Aliens Act (Vreemdelingenwet)) or a declaration of undesirability has already been imposed on the foreign national, or if a heavy entry ban or declaration of undesirability is imposed concurrently with the rejection of the application for an asylum residence permit.
If the IND rejects the asylum application of an unaccompanied minor, the IND shall assess ex officio whether the unaccompanied minor is eligible for a no-fault permit (buitenschuldvergunning) as referred to in paragraph B8/6 Vc.
Bij afwijzing van de eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel als (kennelijk) ongegrond beoordeelt de IND volgens artikel 3.6a Vb ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op een van de gronden genoemd in het artikel 3.6a, eerste lid Vb.
De IND behandelt een volgende aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als een eerste aanvraag in de zin van artikel 3.6a Vb, indien de vorige aanvraag niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30 Vw en die afwijzingsgrond niet (meer) van toepassing is. Dit geldt ook als een nieuwe aanvraag wordt ingediend nadat een vorige aanvraag buiten behandeling is gesteld, tenzij de vreemdeling eerder een aanvraag heeft gedaan die is afgewezen (zie artikel 30c, tweede lid, Vw).
Bij de ambtshalve beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6a, eerste lid, onder a Vb (uitzetting in strijd met artikel 8 EVRM), past de IND paragraaf B7/3.8 Vc (8 EVRM) overeenkomstig toe.
Bij de ambtshalve beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6a, eerste lid onder b Vb, past de IND paragraaf B8/3.1 Vc onder het kopje Ambtshalve verlening in de asielprocedure toe.
Voor zover daar op grond van artikel 3.6ba Vb en paragraaf B11/2.5 Vc aanleiding toe bestaat, beoordeelt de IND bij een eerste asielaanvraag of er op grond van artikel 3.6ba Vb aanleiding bestaat ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen.
Voor wat betreft de ambtshalve toets op grond van artikel 6.1e Vb wordt verwezen naar paragraaf A3/7.2.3 Vc.
De IND laat de ambtshalve toets als bedoeld in artikel 3.6a Vb achterwege, wanneer aan de vreemdeling al eerder een zwaar inreisverbod (artikel 66a, zevende lid, Vw) of een ongewenstverklaring is opgelegd of wanneer met de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel een zwaar inreisverbod of ongewenstverklaring wordt opgelegd.
Als de IND de asielaanvraag van een niet-begeleide minderjarige afwijst, beoordeelt de IND ambtshalve of de niet-begeleide minderjarige in aanmerking komt voor een buitenschuldvergunning zoals bedoeld in paragraaf B8/6 Vc.