Dutch Legislation

Article 9

in force

Review criteria and rulings of the Rent Tribunal (huurcommissie)

Residential Rent (Implementation) Act · Chapter III · In force since 2026-06-04

Source
1.

A petition to the Rent Tribunal (huurcommissie) shall be submitted in writing.

2.

The Rent Tribunal (huurcommissie) shall assess, in respect of petitions submitted to it, whether the requirements laid down by or pursuant to Title 4 of Book 7 of the Civil Code, the Consultation between Tenants and Landlords Act, and by or pursuant to this Act, have been met.

3.

In the event of a petition as referred to in Article 7:260, paragraph 1, of the Civil Code, the petition shall be inadmissible if the subject matter of the dispute amounts to less than € 36.

4.

In the event of a petition as referred to in Articles 7:255, paragraph 2, 7:255a, paragraph 3, 7:257, paragraph 2, and 7:261, paragraph 3, of the Civil Code, the petition shall be inadmissible if the subject matter of the dispute amounts to less than € 3 per month. In the event of a petition as referred to in Article 7:254 of the Civil Code, the petition shall be inadmissible if the subject matter of the dispute amounts to a sum that is less than the amount corresponding to a difference of one point in the valuation of the living accommodation determined pursuant to Article 10, paragraph 1.

5.

The amounts referred to in the third and fourth paragraphs may be increased or decreased by ministerial regulation.

6.

If, following an irrevocable decision, a new petition is submitted on the same grounds regarding the same lease agreement, the petitioner is required to state newly discovered facts or changed circumstances. Where no newly discovered facts or changed circumstances are stated, the petition shall be inadmissible.

1.

Een verzoek aan de huurcommissie wordt schriftelijk ingediend.

2.

De huurcommissie toetst bij aan haar gedane verzoeken of voldaan is aan de voor die verzoeken bij of krachtens titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, bij de Wet op het overleg huurders verhuurder en bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften.

3.

In geval van een verzoek als bedoeld in artikel 7:260, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is het verzoek niet-ontvankelijk indien het voorwerp van geschil een bedrag van minder dan € 36 beloopt.

4.

In geval van een verzoek als bedoeld in de artikelen 7: 255, tweede lid, 7:255a, derde lid, 7: 257, tweede lid, 7: 261, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek is het verzoek niet-ontvankelijk indien het voorwerp van geschil een bedrag van minder dan € 3 per maand beloopt. In geval van een verzoek als bedoeld in artikel 7:254 van het Burgerlijk Wetboek is het verzoek niet-ontvankelijk indien het voorwerp van geschil een bedrag beloopt dat kleiner is dan het bedrag dat correspondeert met een verschil van één punt van de krachtens artikel 10, eerste lid, bepaalde waardering van de woonruimte.

5.

De bedragen, genoemd in het derde en vierde lid, kunnen bij ministeriële regeling hoger of lager worden gesteld.

6.

Indien na een onherroepelijke uitspraak een nieuw verzoekschrift met dezelfde grondslag wordt ingediend ten aanzien van dezelfde huurovereenkomst, is de verzoeker gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, is het verzoek niet-ontvankelijk.