Article 10.15
in forceUitrusting en radioapparaten
The installation, the having in one's possession of, in whole or in part, or the use of radio equipment is permitted only if, for the use thereof, a licence for the use of frequency space has been granted to the holder of said radio equipment pursuant to Chapter 3.
By way of derogation from the first paragraph, the installation, the possession in whole or in part, or the use of radio equipment without a licence having been granted to the holder for the use of frequency space, is permitted if:
pursuant to Chapter 3 no authorisation is required for the use of frequency space and, if notification and registration are mandatory for such use pursuant to Article 3.9, paragraph 1, under d, if notification and registration have taken place;
the holder of the radio apparatus has concluded an agreement with the holder or lessee of a licence for the use of frequency space for the installation and maintenance of a radio apparatus for the purpose of providing services of the principal, in which use is made of the frequency space assigned to the principal;
the holder of the radio apparatus makes use of frequency space by virtue of a rental agreement in accordance with that which is determined by or pursuant to Article 3.20a;
these devices are used on board vessels other than vessels that are entitled to fly the flag of the Kingdom pursuant to legal rules applicable to the Netherlands, or other than Netherlands aircraft, and for which a licence has been issued in accordance with the International Telecommunication Convention, or
These devices are used by non-residents of the Netherlands who are temporarily staying in this country and for which purpose agreements binding upon the Netherlands have been concluded.
Het aanleggen, het geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig hebben, of het gebruik van radioapparaten is slechts toegestaan indien voor het gebruik ervan aan de houder van die radioapparaten op grond van hoofdstuk 3 een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte is verleend.
In afwijking van het eerste lid, is het aanleggen, het geheel of gedeeltelijk aanwezig hebben, of het gebruik van radioapparaten zonder dat aan de houder een vergunning is verleend voor het gebruik van frequentieruimte, toegestaan, indien:
krachtens hoofdstuk 3 geen vergunning is vereist voor het gebruik van frequentieruimte en, indien voor het gebruik melding en registratie verplicht zijn krachtens artikel 3.9, eerste lid, onder d, indien melding en registratie heeft plaatsgevonden;
de houder van het radioapparaat met de houder of huurder van een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte een overeenkomst heeft gesloten voor de aanleg en het instandhouden van een radioapparaat ten behoeve van het verzorgen van diensten van de opdrachtgever waarbij gebruik wordt gemaakt van de aan de opdrachtgever toegewezen frequentieruimte;
de houder van het radioapparaat gebruik maakt van frequentieruimte krachtens een overeenkomst van verhuur in overeenstemming met het bij of krachtens artikel 3.20a bepaalde;
deze apparaten worden gebruikt aan boord van andere schepen dan schepen die op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd zijn de vlag van het Koninkrijk te voeren of andere dan Nederlandse luchtvaartuigen en daarvoor een vergunning is afgegeven in overeenstemming met het Internationaal Telecommunicatieverdrag, of
deze apparaten worden gebruikt door niet-ingezetenen van Nederland die tijdelijk hier te lande verblijven en daartoe voor Nederland bindende afspraken zijn gemaakt.