Article 8
in forceGrounds for objective and subjective tax liability
For the application of this Act, assets, other than registered property, which — or the title deeds relating to which — were in the possession of the deceased at the time of death, or were held or possessed on his behalf by others, shall be deemed to have been acquired by succession upon death by the person to whom such assets or title deeds must be surrendered.
If and insofar as the assets already belonged to others prior to the death, the obligation to surrender may be deducted from the acquisition referred to in the preceding paragraph.
That which is acknowledged as a debt by last will and testament shall, for the application of this Act, be deemed to have been acquired by succession upon death.
The provisions contained in the preceding paragraphs are not applicable to goods, documentary evidence, or acknowledgements of debt:
which the deceased, as a result of the exercise of a profession or business, held in his possession for someone who is not among his blood relatives or relatives by affinity up to the fourth degree inclusive, or their partners;
which the deceased held in the capacity of a public official, as a parent exercising parental authority, as a guardian, as a curator, as an executor or as a liquidator of an estate appointed by the court, or as an administrator in cases where such person has been appointed as such pursuant to an express statutory provision or has been appointed upon the division of a community of property;
which, upon death, accrue to the participants pursuant to an agreement concluded between the deceased and those participants;
which belong to the spouse;
which already existed during the lifetime of the testator and were legally enforceable.
The provisions of this article shall apply mutatis mutandis to the goods, documentary evidence or acknowledgements of debt referred to therein, which are held by, or are kept or possessed on behalf of, the spouse of the deceased who was married in a general community of property.
Goederen, niet zijnde registergoederen, welke - of waarvan de daarop betrekking hebbende bewijsstukken - bij het overlijden onder de overledene berustten of voor hem door anderen werden bewaard of bezeten, worden, voor de toepassing van deze wet, geacht krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen door hem, aan wie die goederen of die bewijsstukken moeten worden afgegeven.
Indien en voor zover de goederen reeds vóór het overlijden aan anderen toebehoorden, kan op de in het vorige lid bedoelde verkrijging de verplichting tot afgifte in mindering worden gebracht.
Wat is schuldig erkend bij uiterste wil, wordt voor de toepassing van deze wet geacht krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen.
De in de voorgaande leden vervatte bepalingen zijn niet toepasselijk voor goederen, bewijsstukken of schuldigerkenningen:
welke de overledene, tengevolge van de uitoefening van een beroep of bedrijf, onder zich had voor iemand, niet behorende tot zijn bloed- of aanverwanten tot de vierde graad ingesloten of hun partners;
welke de overledene onder zich had als openbaar ambtenaar, als ouder uitoefenende het ouderlijk gezag, als voogd, als curator, als executeur of door de rechter benoemde vereffenaar van een nalatenschap of als bewindvoerder in de gevallen waarin deze als zodanig volgens een uitdrukkelijke wetsbepaling is aangesteld of bij verdeling van een gemeenschap is benoemd;
welke bij het overlijden verblijven aan deelgenoten, ingevolge een overeenkomst tussen de overledene en die deelgenoten gesloten;
welke toebehoren aan de partner;
welke reeds tijdens het leven van de erflater bestonden en rechtens afdwingbaar waren.
De bepalingen van dit artikel zijn mede toepasselijk op de daarin bedoelde goederen, bewijsstukken of schuldigerkenningen, berustende onder of bewaard of bezeten voor de in algehele gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot van de overledene.