Article 1
in forceGrondslagen voor de objectieve en subjectieve belastingplicht
Pursuant to this Act, the following taxes shall be levied:
inheritance tax on the value of all that is acquired by virtue of the law of succession due to the death of a person who, at the time of death, resided in the Netherlands;
gift tax on the value of all that is acquired by way of gift from a person who, at the time of the gift, resided in the Netherlands.
For the purposes of this Act, acquisition by succession shall also be understood to include the acquisition of permits and claims upon or after the death of the testator, provided that such acquisition is directly related to the circumstance that the testator possessed such or similar permits and claims.
The acquisition as a result of the determination of an interest compensation pursuant to:
a testamentary disposition regarding claims and debts that have arisen by virtue of inheritance law, or
An agreement as referred to in Article 13, paragraph 4, of Book 4 of the Civil Code shall, for the application of this Act, be deemed to have been acquired solely by virtue of inheritance law by reason of death if it has been established or agreed upon within the filing period determined in accordance with Article 45.
If the interest compensation referred to in the third paragraph is determined or agreed upon after the period referred to in that paragraph, the resulting benefit shall be deemed to have been acquired by way of a gift.
For the purposes of this Act, an acquisition by virtue of the exercise of a right of election (wilsrecht) as referred to in Articles 19, 20, 21 and 22 of Book 4 of the Civil Code shall not be regarded as an acquisition by way of succession.
If, as a result of testamentary dispositions that correspond in substance to the provisions of Section 1 of Title 3 of Book 4 of the Civil Code, wilsrechten (statutory rights of children to claim assets from the estate of a deceased parent) arise, these shall, for the application of this Act, be treated in the same manner as wilsrechten as referred to in Articles 19, 20, 21 and 22 of Book 4 of the Civil Code.
For the purposes of this Act, a gift (schenking) shall be understood to mean the gift (gift) as referred to in Article 186, paragraph 2, of Book 7 of the Civil Code, insofar as Article 13 does not apply, and furthermore the performance of a natural obligation as referred to in Article 3 of Book 6 of the Civil Code.
A gift does not include an enrichment resulting from a disclaimer by an heir or legatee, nor an enrichment resulting from the waiver by a spouse of a statutory division of the estate pursuant to Article 18 of Book 4 of the Civil Code.
For the purposes of this Act, a gift subject to a condition precedent is deemed to be effected at the moment the condition is fulfilled.
Krachtens deze wet worden de volgende belastingen geheven:
erfbelasting over de waarde van al wat krachtens erfrecht wordt verkregen door het overlijden van iemand die ten tijde van het overlijden in Nederland woonde;
schenkbelasting over de waarde van al wat krachtens schenking wordt verkregen van iemand die ten tijde van de schenking in Nederland woonde.
Onder verkrijging krachtens erfrecht wordt voor de toepassing van deze wet mede verstaan de verkrijging van vergunningen en aanspraken bij of na het overlijden van de erflater indien die verkrijging rechtstreeks verband houdt met de omstandigheid dat de erflater die of dergelijke vergunningen en aanspraken bezat.
De verkrijging ten gevolge van de vaststelling van een rentevergoeding op grond van:
een uiterste wilsbeschikking ten aanzien van vorderingen en schulden die zijn ontstaan krachtens erfrecht, of
een overeenkomst als bedoeld in artikel 13, vierde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, wordt voor de toepassing van deze wet geacht alleen krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen indien deze binnen de met inachtneming van artikel 45 vastgestelde aangiftetermijn is vastgesteld of overeengekomen.
Indien de rentevergoeding, bedoeld in het derde lid, wordt vastgesteld of overeengekomen na de in dat lid bedoelde termijn, wordt het daaruit voortvloeiende voordeel geacht krachtens schenking te zijn verkregen.
De verkrijging krachtens de uitoefening van een wilsrecht als bedoeld in de artikelen 19, 20, 21 en 22 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek wordt voor de toepassing van deze wet niet aangemerkt als een verkrijging krachtens erfrecht.
Indien ten gevolge van uiterste wilsbeschikkingen die inhoudelijk overeenkomen met het bepaalde in afdeling 1 van titel 3 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek wilsrechten opkomen, worden die voor de toepassing van deze wet op dezelfde wijze behandeld als wilsrechten als bedoeld in de artikelen 19, 20, 21 en 22 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.
Onder schenking wordt voor de toepassing van deze wet verstaan de gift, bedoeld in artikel 186, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover artikel 13 niet van toepassing is, en voorts de voldoening aan een natuurlijke verbintenis als bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
Onder schenking wordt niet begrepen de bevoordeling als gevolg van verwerping door een erfgenaam of legataris, noch de bevoordeling als gevolg van het afzien door de echtgenoot van een wettelijke verdeling van de nalatenschap op de voet van artikel 18 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.
Een gift onder opschortende voorwaarde wordt voor de toepassing van deze wet geacht tot stand te komen op het moment dat de voorwaarde wordt vervuld.