Article 2
in forceThe COA is charged with providing the necessary conditions of existence for the following categories of aliens during the period specified therein:
a victim of human trafficking who has lawful residence as referred to in Article 8, under f or h, of the Aliens Act 2000 in connection with providing cooperation in the investigation and prosecution in respect of a violation of Article 273f of the Criminal Code, or pursuant to Article 8, under k, of that Act, and in respect of whom a written statement as referred to in paragraph 2 has been issued to the COA by the Immigration and Naturalisation Service or the Chief of Police, respectively, from the time at which the statement is issued until the moment at which the lawful residence pursuant to Article 8, under f, h or k, of the Aliens Act 2000 has ended;
a witness of human trafficking residing in this country who, in connection with the reporting of a violation of Article 273f of the Criminal Code, has lawful residence pursuant to Article 8, under f or h, of the Aliens Act 2000 and in respect of whom a written statement as referred to in paragraph 2 has been issued to the COA by the Chief of Police or the Immigration and Naturalisation Service, from the time at which the statement is issued until the moment at which the lawful residence pursuant to Article 8, under f or h, of the Aliens Act 2000 has ended.
an alien residing in this country, who, in the context of family reunification or family formation, has submitted an application for the grant of a residence permit for a fixed period as referred to in Article 14 of the Aliens Act 2000 and in respect of whom a written statement as referred to in paragraph 2 has been issued to the COA by the chief of police or the Immigration and Naturalisation Service, from the time at which the application for the grant of the residence permit was submitted, as evidenced by the statement, until the moment at which the lawful residence pursuant to Article 8, under f or h, of the Aliens Act 2000 has ended.
an alien residing in this country, to whom a residence permit has been granted in connection with being a victim of human trafficking, who is the parent or caregiver of one or more minor children residing with this alien, who have lawful residence pursuant to Article 8, under f, g or h, of the Aliens Act 2000, in respect of whom a written statement as referred to in paragraph 2 has been issued by the Immigration and Naturalisation Service to the COA, until the moment at which the lawful residence pursuant to Article 8, under f, g or h, of the Aliens Act 2000 has ended;
a minor alien residing in this country together with at least one parent or caregiver, not being an alien as referred to in point c, who has no entitlement to provisions pursuant to any other statutory provision and who, as evidenced by a written statement from the Immigration and Naturalisation Service to the COA, has lawful residence as referred to in Article 8, under f, g, or h, of the Aliens Act 2000, from the moment that the lawful residence, referred to in Article 8, under f, g, or h, of the Aliens Act 2000, has been obtained until the moment at which this lawful residence has ended;
an alien residing in this country who, in connection with the application for the granting of a residence permit on the grounds of honour-related violence, domestic violence or in connection with being a victim of human trafficking, not being the alien referred to in point a, has lawful residence pursuant to Article 8, under f, g, or h, of the Aliens Act 2000 and in respect of whom a written statement as referred to in paragraph 2 has been issued by the Immigration and Naturalisation Service to the COA, from the time at which the written statement is issued until the moment at which the lawful residence pursuant to Article 8, under f, g or h, of the Aliens Act 2000 has ended;
an alien residing in this country in connection with honour-related or domestic violence or human trafficking, who has lawful residence on the basis of a special privileged status;
a Community national residing in this country in connection with honour-related or domestic violence or human trafficking, referred to in Article 1 of the Aliens Act 2000, who:
has lawful residence pursuant to Article 8, under (e), of the Aliens Act 2000, for three months after entry; or
if, once the period of three months after entry has expired, as evidenced by a written statement from the Immigration and Naturalisation Service to the COA, has lawful residence pursuant to Article 8, under f, g, h or k, of the Aliens Act 2000, until the necessary means of subsistence have been provided for three months; or
if the period of three months after entry has not yet expired, has lawful residence pursuant to Article 8, under e, of the Aliens Act 2000 and subsequently, as evidenced by a written statement from the Immigration and Naturalisation Service to the COA, has lawful residence pursuant to Article 8, under f, g, h or k, of the Aliens Act 2000, until the necessary conditions of existence have been provided for three months.
The written declaration referred to in the first paragraph states that the alien belongs to one of the categories of aliens referred to in the first paragraph.
The COA is, with respect to foreign nationals who have lawful residence in connection with honour-related or domestic violence, exclusively charged with providing for the necessary conditions of existence if they reside in an institution for women's shelter.
Het COA is belast met het voorzien in de noodzakelijke bestaansvoorwaarden voor de volgende categorieën vreemdelingen gedurende de daarbij aangegeven termijn:
een slachtoffer van mensenhandel dat rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder f of h, van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het verlenen van medewerking aan opsporing en vervolging terzake van overtreding van artikel 273f van het Wetboek van strafrecht danwel op grond van artikel 8, onder k, van die wet en ten aanzien van wie door respectievelijk de Immigratie- en Naturalisatiedienst of de korpschef aan het COA een schriftelijke verklaring als bedoeld in het tweede lid is afgegeven, vanaf het tijdstip waarop de verklaring is afgegeven tot het moment waarop het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder f, h of k, van de Vreemdelingenwet 2000 is geëindigd;
een hier te lande verblijvende getuige van mensenhandel die in verband met de aangifte van overtreding van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f of h van de Vreemdelingenwet 2000 en ten aanzien van wie door de korpschef of de Immigratie- en Naturalisatiedienst aan het COA een schriftelijke verklaring als bedoeld in het tweede lid is afgegeven, vanaf het tijdstip waarop de verklaring tot het moment waarop het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder f of h van de Vreemdelingenwet 2000 is geëindigd.
een hier te lande verblijvende vreemdeling, die in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 en ten aanzien van wie door de korpschef of de Immigratie- en Naturalisatiedienst aan het COA een schriftelijke verklaring als bedoeld in het tweede lid is afgegeven, vanaf het tijdstip waarop de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, blijkens de verklaring is ingediend, tot het moment waarop het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder f of h van de Vreemdelingenwet 2000 is geëindigd.
een hier te lande verblijvende vreemdeling, aan wie een verblijfsvergunning is verleend in verband met het zijn van slachtoffer van mensenhandel, die de ouder of verzorger is van één of meer minderjarige, bij deze vreemdeling verblijvende kinderen, die rechtmatig verblijf hebben op grond van artikel 8, onder f, g of h van de Vreemdelingenwet 2000, ten aanzien van wie door de Immigratie- en Naturalisatiedienst aan het COA een schriftelijke verklaring als bedoeld in het tweede lid is afgegeven, tot het moment waarop het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder f, g of h van de Vreemdelingenwet 2000 is geëindigd;
een samen met tenminste één ouder of verzorger hier te lande verblijvende minderjarige vreemdeling, niet zijnde een vreemdeling als bedoeld in onderdeel c, die geen aanspraak heeft op verstrekkingen op grond van enig ander wettelijk voorschrift en die blijkens een schriftelijke verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst aan het COA rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder f, g, of h, van de Vreemdelingenwet 2000, vanaf het moment dat het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder f, g, of h, van de Vreemdelingenwet 2000, is verkregen tot het moment waarop dit rechtmatig verblijf is geëindigd;
een hier te lande verblijvende vreemdeling die in verband met de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van eergerelateerd geweld, huiselijk geweld of in verband met het zijn van slachtoffer van mensenhandel, niet zijnde de vreemdeling bedoeld in onderdeel a, rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g, of h, van de Vreemdelingenwet 2000 en ten aanzien van wie door de Immigratie- en Naturalisatiedienst aan het COA een schriftelijke verklaring als bedoeld in het tweede lid is afgegeven, vanaf het tijdstip waarop de schriftelijke verklaring is afgegeven tot het moment waarop het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder f, g of h, van de Vreemdelingenwet 2000 is geëindigd;
een in verband met eergerelateerd of huiselijk geweld dan wel mensenhandel hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van een bijzondere geprivilegieerde status;
een in verband met eergerelateerd of huiselijk geweld dan wel mensenhandel hier te lande verblijvende gemeenschapsonderdaan, bedoeld in artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000, die:
rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000, gedurende drie maanden na inreis; of
indien de periode van drie maanden na inreis verstreken is, blijkens een schriftelijke verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst aan het COA, rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g, h of k, van de Vreemdelingenwet 2000, totdat drie maanden in de noodzakelijke bestaansvoorwaarden is voorzien; of
indien de periode van drie maanden na inreis nog niet verstreken is, rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 en daaropvolgend blijkens een schriftelijke verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst aan het COA rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g, h of k, van de Vreemdelingenwet 2000, totdat drie maanden in de noodzakelijke bestaansvoorwaarden is voorzien.
De schriftelijke verklaring, bedoeld in het eerste lid, houdt in dat de vreemdeling behoort tot één van de in het eerste lid bedoelde categorieën vreemdelingen.
Het COA is ten aanzien van vreemdelingen die rechtmatig verblijf hebben in verband met eergerelateerd of huiselijk geweld uitsluitend belast met het voorzien in de noodzakelijke bestaansvoorwaarden indien zij verblijven in een instelling voor vrouwenopvang.