Dutch Legislation

Article 4

in force

Directive 2009/52/EC — employer sanctions · In force since None

Source

1. Member States shall oblige employers to:

(a) require that a third-country national before taking up the employment holds and presents to the employer a valid residence permit or other authorisation for his or her stay;

(b) keep for at least the duration of the employment a copy or record of the residence permit or other authorisation for stay available for possible inspection by the competent authorities of the Member States;

(c) notify the competent authorities designated by Member States of the start of employment of third-country nationals within a period laid down by each Member State.

2. Member States may provide for a simplified procedure for notification under paragraph 1(c) where the employers are natural persons and the employment is for their private purposes.

Member States may provide that notification under paragraph 1(c) is not required where the employee has been granted long-term residence status under Council Directive 2003/109/EC of 25 November 2003 concerning the status of third-country nationals who are long-term residents (11).

3. Member States shall ensure that employers who have fulfilled their obligations set out in paragraph 1 shall not be held liable for an infringement of the prohibition referred to in Article 3 unless the employers knew that the document presented as a valid residence permit or another authorisation for stay was a forgery.

1. De lidstaten verplichten de werkgevers:

a) van onderdanen van derde landen te eisen dat zij voor de aanvang van hun werkzaamheden een geldige verblijfsvergunning of andere machtiging tot verblijf bezitten en aan de werkgever voorleggen;

b) ten minste voor de duur van de tewerkstelling een afschrift of de gegevens van de verblijfsvergunning of andere verblijfsmachtiging beschikbaar te houden voor eventuele inspectie door de bevoegde instanties van de lidstaten;

c) de door de lidstaten aangewezen bevoegde instanties, binnen een door iedere lidstaat te bepalen termijn, in kennis te stellen van de aanvang van de tewerkstelling van onderdanen van derde landen.

2. De lidstaten kunnen, indien de werkgever een natuurlijk persoon is en de tewerkstelling persoonlijke doelen dient, een vereenvoudigde procedure van kennisgeving overeenkomstig lid 1, onder c), vastleggen.

De lidstaten kunnen bepalen dat kennisgeving overeenkomstig lid 1, onder c), niet vereist is indien aan de werknemer een vergunning voor langdurig verblijf is verleend overeenkomstig Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (11).

3. De lidstaten zien erop toe dat werkgevers die aan de in lid 1 opgesomde verplichtingen hebben voldaan, niet aansprakelijk worden gesteld voor inbreuk op het in artikel 3 bedoelde verbod, tenzij zij ervan op de hoogte waren dat het als geldige verblijfsvergunning of verblijfsmachtiging voorgelegde document een vervalsing was.