Article 13
in force1. Member States shall ensure that there are effective mechanisms through which third-country nationals in illegal employment may lodge complaints against their employers, directly or through third parties designated by Member States such as trade unions or other associations or a competent authority of the Member State when provided for by national legislation.
2. Member States shall ensure that third parties which have, in accordance with the criteria laid down in their national law, a legitimate interest in ensuring compliance with this Directive, may engage either on behalf of or in support of an illegally employed third-country national, with his or her approval, in any administrative or civil proceedings provided for with the objective of implementing this Directive.
3. Providing assistance to third-country nationals to lodge complaints shall not be considered as facilitation of unauthorised residence under Council Directive 2002/90/EC of 28 November 2002 defining the facilitation of unauthorised entry, transit and residence (13).
4. In respect of criminal offences covered by Article 9(1)(c) or (e), Member States shall define in national law the conditions under which they may grant, on a case-by-case basis, permits of limited duration, linked to the length of the relevant national proceedings, to the third-country nationals involved, under arrangements comparable to those applicable to third-country nationals who fall within the scope of Directive 2004/81/EC.
1. De lidstaten zorgen ervoor dat er doeltreffende mechanismen bestaan aan de hand waarvan illegaal tewerkgestelde onderdanen van derde landen rechtstreeks of middels door de lidstaten aangewezen derden zoals vakverenigingen of andere verenigingen of een bevoegde instantie van de lidstaat, indien de nationale wetgeving hierin voorziet, een klacht tegen hun werkgever kunnen indienen.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat derde partijen die, overeenkomstig de in hun nationale wetgeving vastgelegde normen, een legitiem belang hebben bij waarborging van de naleving van deze richtlijn, namens of ter ondersteuning van een illegaal tewerkgestelde onderdaan van een derde land met diens instemming administratieve of burgerlijke procedures kunnen aanspannen met het oog op tenuitvoerlegging van deze richtlijn.
3. Onderdanen van derde landen helpen met het indienen van een klacht wordt niet beschouwd als hulpverlening bij illegaal verblijf op grond van Richtlijn 2002/90/EG van 28 november 2002 tot omschrijving van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf (13).
4. Met betrekking tot onder artikel 9, lid 1, onder c) of e), vallende strafbare feiten bepalen de lidstaten op grond van het nationale recht de voorwaarden waarop zij op basis van een beoordeling van het individuele geval aan betrokken onderdanen van derde landen een verblijfsvergunning van beperkte duur kunnen afgeven, gekoppeld aan de lengte van de desbetreffende nationale procedure, op basis van regelingen die vergelijkbaar zijn met die welke gelden voor onderdanen van een derde land die vallen onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2004/81/EG.