Dutch Legislation

Article 19

in force

RESIDENCE IN OTHER MEMBER STATES

Directive 2009/50/EC — EU Blue Card · Chapter 5 · In force since None

Source

1. When the EU Blue Card holder moves to a second Member State in accordance with Article 18 and when the family was already constituted in the first Member State, the members of his family shall be authorised to accompany or join him.

2. No later than one month after entering the territory of the second Member State, the family members concerned or the EU Blue card holder, in accordance with national law, shall submit an application for a residence permit as a family member to the competent authorities of that Member State.

In cases where the residence permit of the family members issued by the first Member State expires during the procedure or no longer entitles the holder to reside legally on the territory of the second Member State, Member States shall allow the person to stay in their territory, if necessary by issuing national temporary residence permits, or equivalent authorisations, allowing the applicant to continue to stay legally on their territory with the EU Blue Card holder until a decision on the application has been taken by the competent authorities of the second Member State.

3. The second Member State may require the family members concerned to present with their application for a residence permit:

(a) their residence permit in the first Member State and a valid travel document, or their certified copies, as well as a visa, if required;

(b) evidence that they have resided as members of the family of the EU Blue Card holder in the first Member State;

(c) evidence that they have a sickness insurance covering all risks in the second Member State, or that the EU Blue Card holder has such insurance for them.

4. The second Member State may require the EU Blue Card holder to provide evidence that the holder:

(a) has an accommodation regarded as normal for a comparable family in the same region and which meets the general health and safety standards in the Member State concerned;

(b) has stable and regular resources which are sufficient to maintain himself and the members of his family, without recourse to the social assistance of the Member State concerned. Member States shall evaluate these resources by reference to their nature and regularity and may take into account the level of minimum national wages and pensions as well as the number of family members.

5. Derogations contained in Article 15 shall continue to apply mutatis mutandis.

6. Where the family was not already constituted in the first Member State, Article 15 shall apply.

1. Indien de houder van een Europese blauwe kaart naar een tweede lidstaat verhuist overeenkomstig artikel 18 en het gezin al was gevormd in de eerste lidstaat, krijgen de leden van het gezin toestemming hem te vergezellen of zich bij hem te voegen.

2. Uiterlijk een maand na aankomst in de tweede lidstaat dienen de betrokken gezinsleden of de houder van een Europese blauwe kaart, naargelang van de nationale wetgeving, bij de bevoegde autoriteiten van die lidstaat een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor gezinsleden in.

Wanneer de geldigheid van de door de eerste lidstaat afgegeven verblijfsvergunning voor gezinsleden tijdens de procedure verstrijkt of de houder niet langer het recht geeft legaal op het grondgebied van de tweede lidstaat te verblijven, staan de lidstaten de betrokkene toe op hun grondgebied te blijven, indien noodzakelijk door tijdelijke nationale verblijfsvergunningen of gelijkwaardige vergunningen af te geven, zodat de aanvrager legaal op hun grondgebied kan blijven bij de houder van de Europese blauwe kaart in afwachting van een beslissing over de aanvraag door de bevoegde autoriteiten van de tweede lidstaat.

3. De tweede lidstaat kan van de betrokken gezinsleden verlangen dat zij samen met de aanvraag voor een verblijfsvergunning de volgende documenten overleggen:

a) hun verblijfsvergunning van de eerste lidstaat en een geldig reisdocument of gewaarmerkte afschriften daarvan, alsmede, indien vereist, een visum;

b) een bewijs dat zij als gezinslid van een houder van een Europese blauwe kaart in de eerste lidstaat hebben verbleven;

c) een bewijs dat zij over een ziektekostenverzekering beschikken die alle risico’s in de tweede lidstaat dekt of een bewijs dat de houder van de Europese blauwe kaart een dergelijke verzekering voor hen heeft.

4. De tweede lidstaat kan van de houder van een blauwe kaart verlangen dat hij aantoont dat de houder beschikt over:

a) huisvesting die in de betrokken regio als normaal beschouwd wordt voor een vergelijkbaar gezin en die voldoet aan de algemene normen inzake veiligheid en hygiëne welke in de betrokken lidstaat gelden;

b) stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hemzelf en zijn gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op de sociale bijstand van de betrokken lidstaat. De lidstaten beoordelen deze middelen onder verwijzing naar hun aard en regelmaat en kunnen daarbij rekening houden met het niveau van de nationale minimumlonen en -pensioenen alsook met het aantal gezinsleden.

5. Afwijkingen als vervat in artikel 15 blijven van overeenkomstige toepassing.

6. Indien het gezin nog niet was gevormd in de eerste lidstaat, is artikel 15 van toepassing.