Dutch Legislation

Article 14

in force

Pension agreement · § Contents of the pension agreement

Pensions Act (Pensioenwet) · Chapter 2 · § 2.2 · In force since 2024-01-01

Source
1.

The accrual of pension entitlements to an old-age pension on the basis of a pension agreement shall commence no later than upon the employee reaching the age of 18 or on the later date of commencement of employment, unless it concerns an old-age pension that exclusively provides for a benefit until reaching the pensionable age referred to in Article 7a, paragraph 1, of the General Old Age Pensions Act (Algemene Ouderdomswet), or until reaching the pension age for the lifelong old-age pension.

2.

The time at which the accrual begins, as referred to in the first paragraph, may, if the pension agreement provides for a threshold period, be postponed by a maximum of two months with respect to old-age pension. Waiting periods are not permitted for the old-age pension. Waiting periods or threshold periods are not permitted for the survivor's pension and the disability pension. If, upon the termination of his employment contract under civil law or public law appointment, an employee has not yet been included in the pension scheme, but a contribution has been paid by him or on his behalf, then the sum of the contributions shall be refunded to him or, in the event that the employee bears the investment risk, the sum of the contributions paid or the investment value realised with these contributions shall be refunded to him.

3.

In the event that an employer who has not yet entered into any pension agreement or who has only entered into a pension agreement with employees belonging to a specific group, proceeds to enter into one or more pension agreements, the requirement that the accrual of pension must have commenced at the age of 18 shall not apply with respect to his employees who are older than 18 years at the time of entering into the pension agreement.

4.

Any clause in violation of the first paragraph and second paragraph is void.

1.

Het verwerven van ouderdomspensioenaanspraken op basis van een pensioenovereenkomst begint uiterlijk op de 18-jarige leeftijd van de werknemer of op de latere datum van indiensttreding, tenzij het een ouderdomspensioen betreft dat uitsluitend voorziet in een uitkering tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, of tot het bereiken van de pensioenleeftijd voor het levenslange ouderdomspensioen.

2.

Het in het eerste lid genoemde tijdstip waarop de verwerving begint kan, indien in de pensioenovereenkomst is voorzien in een drempelperiode, met betrekking tot ouderdompensioen worden uitgesteld met ten hoogste twee maanden. Wachttijden zijn niet toegestaan voor het ouderdomspensioen. Wachttijden of drempelperioden zijn niet toegestaan voor het nabestaandenpensioen en het arbeidsongeschiktheidspensioen. Indien een werknemer bij de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of publiekrechtelijke aanstelling nog niet in de pensioenregeling is opgenomen, maar er door of namens hem een bijdrage is betaald, dan wordt de som van de bijdragen aan hem terugbetaald of wordt, in geval de werknemer het beleggingsrisico draagt, de som van de gestorte bijdragen of de met deze bijdragen gerealiseerde beleggingswaarde aan hem terugbetaald.

3.

In geval een werkgever die nog geen enkele pensioenovereenkomst heeft gesloten of die alleen een pensioenovereenkomst heeft gesloten met werknemers die tot een bepaalde groep behoren, over gaat tot het sluiten van een of meer pensioenovereenkomsten, geldt ten aanzien van zijn werknemers die bij het sluiten van de pensioenovereenkomst ouder zijn dan 18 jaar, niet de eis dat de verwerving van pensioen op 18-jarige leeftijd moet zijn begonnen.

4.

Elk beding in strijd met het eerste lid en tweede lid is nietig.