Article 14
in forceSurrender by the Netherlands · Conditions for surrender
Surrender shall not be granted except under the general condition that the person claimed shall not be prosecuted, punished or restricted in his personal liberty in any other way for facts committed prior to the time of his surrender and for which he has not been surrendered, unless:
the surrendered person, although having had the opportunity to do so, has not left the territory of the Member State to which he was surrendered within 45 days of his final release, or has returned to that territory after having left it;
the facts are not punishable by a custodial sentence;
the criminal prosecution does not lead to the imposition of any measure restricting liberty;
it concerns the enforcement of a penalty other than a custodial sentence, including a substitute penalty, which includes substitute detention;
the requested person has, in accordance with Article 39, consented to his immediate surrender and has at the same time waived the protection of the principle of specialty;
the requested person has expressly consented to prosecution following his surrender; or
prior permission for this has been requested from and granted by the court.
Surrender shall furthermore not be permitted except under the general condition that the requested person shall not be made available to the authorities of another Member State of the European Union in respect of acts committed prior to the time of his surrender, unless:
the surrendered person, although having had the opportunity to do so, has not left the territory of the Member State to which he was surrendered within 45 days of his final release, or has returned to that territory after having left it;
the requested person has expressly consented thereto following his surrender;
the requested person, in accordance with paragraph 1, point (a), (e), (f), or (g), does not enjoy the protection of the principle of speciality; or
prior permission for this purpose is requested from the court and has been obtained.
The public prosecutor shall, no later than the third day after receipt of a request from the issuing judicial authority for the consent referred to in the first paragraph, point (g), or the second paragraph, point (d), submit a written motion to the court to hear the request. To this end, the public prosecutor shall submit the request and the accompanying translation to the court. Prior to the decision on a request for consent, the requested person shall be given the opportunity to be heard. The court shall, if necessary, consult with the issuing judicial authority to agree whether the hearing shall take place before the court or before the issuing judicial authority, and to agree on all other matters necessary for this hearing. The court shall grant consent in respect of offences for which surrender could have been authorised under this Act. The decision on a motion shall in any event be taken within twenty-seven days of its receipt. The public prosecutor shall notify the issuing judicial authority of the court's decision without delay.
Surrender shall furthermore not be permitted other than under the general condition that the requested person shall not be made available to the authorities of a third state in respect of acts committed prior to the time of his surrender, unless prior consent for this purpose is requested from Our Minister and has been obtained.
Overlevering wordt niet toegestaan dan onder het algemene beding, dat de opgeëiste persoon niet zal worden vervolgd, gestraft of op enige andere wijze in zijn persoonlijke vrijheid beperkt, ter zake van feiten die vóór het tijdstip van zijn overlevering zijn begaan en waarvoor hij niet is overgeleverd, tenzij:
de opgeëiste persoon, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, niet binnen 45 dagen na zijn definitieve invrijheidstelling het grondgebied van de lidstaat waaraan hij is overgeleverd, heeft verlaten of indien hij na dit gebied verlaten te hebben daarnaar is teruggekeerd;
de feiten niet zijn bedreigd met een vrijheidsstraf;
de strafvervolging niet leidt tot de toepassing van enige maatregel die de vrijheid beperkt;
het gaat om de tenuitvoerlegging van een andere dan een vrijheidsstraf, met inbegrip van een vervangende straf waaronder vervangende hechtenis;
de opgeëiste persoon overeenkomstig artikel 39 heeft ingestemd met zijn onmiddellijke overlevering en daarbij op hetzelfde tijdstip afstand heeft gedaan van de bescherming van het specialiteitsbeginsel;
de opgeëiste persoon na zijn overlevering uitdrukkelijk met een vervolging heeft ingestemd; of
daartoe voorafgaand toestemming aan de rechtbank wordt gevraagd en deze is verkregen.
Overlevering wordt voorts niet toegestaan dan onder het algemene beding, dat de opgeëiste persoon niet ter beschikking zal worden gesteld van de autoriteiten van een andere lidstaat van de Europese Unie, ter zake van feiten die vóór het tijdstip van zijn overlevering zijn begaan, tenzij:
de opgeëiste persoon, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, niet binnen 45 dagen na zijn definitieve invrijheidstelling het grondgebied van de lidstaat waaraan hij is overgeleverd, heeft verlaten of indien hij na dit gebied verlaten te hebben daarnaar is teruggekeerd;
de opgeëiste persoon na zijn overlevering daarmee uitdrukkelijk heeft ingestemd;
de opgeëiste persoon, overeenkomstig het eerste lid, onderdeel a, e, f, of g, niet de bescherming van het specialiteitsbeginsel geniet; of
daartoe voorafgaand toestemming wordt gevraagd aan de rechtbank en deze is verkregen.
De officier van justitie vordert uiterlijk op de derde dag na ontvangst van een verzoek van de uitvaardigende justitiële autoriteit om de in het eerste lid, onderdeel g, of het tweede lid, onderdeel d, bedoelde toestemming, schriftelijk dat de rechtbank het verzoek in behandeling zal nemen. De officier van justitie legt daartoe het verzoek met bijbehorende vertaling aan de rechtbank over. Voorafgaand aan de beslissing op een verzoek om toestemming heeft de opgeëiste persoon de gelegenheid te worden gehoord. De rechtbank treedt zo nodig in overleg met de uitvaardigende justitiële autoriteit om overeen te komen of het verhoor door de rechtbank, dan wel de uitvaardigende justitiële autoriteit plaatsvindt, en al hetgeen overigens voor dit verhoor noodzakelijk is. De rechtbank geeft de toestemming ten aanzien van feiten waarvoor krachtens deze wet overlevering had kunnen worden toegestaan. De beslissing op een vordering wordt in elk geval binnen zevenentwintig dagen na de ontvangst ervan genomen. De officier van justitie brengt de beslissing van de rechtbank onverwijld ter kennis van de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Overlevering wordt voorts niet toegestaan dan onder het algemene beding, dat de opgeëiste persoon niet ter beschikking zal worden gesteld van de autoriteiten van een derde staat, ter zake van feiten die vóór het tijdstip van zijn overlevering zijn begaan, tenzij daartoe voorafgaand toestemming wordt verzocht aan Onze Minister en deze is verkregen.