Dutch Legislation

Article 11

in force

Opium Act · In force since 2026-01-01

Source
1.

Any person who acts in violation of a prohibition set forth in Article 3 shall be punished by detention for a term not exceeding one month or a fine of the second category.

2.

Any person who intentionally acts in violation of a prohibition set forth in Article 3 under B, C or D, shall be punished by a term of imprisonment not exceeding two years or a fine of the fifth category.

3.

Any person who, in the exercise of a profession or business, intentionally acts in violation of a prohibition set forth in Article 3, under B, shall be punished by a term of imprisonment not exceeding six years or a fine of the fifth category.

4.

Any person who intentionally acts in violation of a prohibition set forth in Article 3, under A, shall be punished by a term of imprisonment not exceeding four years or a fine of the fifth category.

5.

If a fact as referred to in the second or fourth paragraph relates to a large quantity of a substance, a term of imprisonment not exceeding six years or a fine of the fifth category shall be imposed. A large quantity is understood to mean a quantity that exceeds the quantity of a substance determined by order in council.

6.

The second paragraph shall not apply if the fact relates to a quantity of hemp or hashish not exceeding 30 grams.

7.

The second and fourth paragraphs shall not apply if the fact relates to a small quantity, intended for personal use, of the substances listed in List II, with the exception of hemp and hashish.

1.

Hij die handelt in strijd met een in artikel 3 gegeven verbod, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.

2.

Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie.

3.

Hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

4.

Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder A, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.

5.

Indien een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.

6.

Het tweede lid is niet van toepassing, indien het feit betrekking heeft op een hoeveelheid van hennep of hasjiesj van ten hoogste 30 gram.

7.

Het tweede en vierde lid zijn niet van toepassing, indien het feit betrekking heeft op een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik, van de in lijst II vermelde middelen, met uitzondering van hennep en hasjiesj.