Dutch Legislation

Article 17

in force

General provisions · Provisional notes and proof of receipt

Land Registry Act · Title 1 · Section 4 · In force since 2005-09-01

Source
1.

The management of the Service shall determine:

a.

the form of the proof of receipt, as referred to in Article 18 of Book 3 of the Civil Code, which is signed by the custodian, with the proviso that if it is drawn up and sent to the provider in electronic form, it shall be provided with an electronic signature of the custodian, and

b.

rules regarding the manner in which the registration performed is, upon request, endorsed on the proof of receipt referred to in point (a), if it has been issued in paper form, as referred to in Article 19, paragraph 3, of Book 3 of the Civil Code.

2.

The management of the Service shall establish further rules regarding the content of the proof of receipt referred to in the first paragraph, point (a), on the understanding that it shall in any event state the number of documents submitted but not also to be registered as referred to in Article 44, with mention of their characteristics as referred to in Article 11b, seventh paragraph.

3.

The management of the Service shall establish rules regarding the manner and the time of providing the proof of receipt.

1.

Het bestuur van de Dienst stelt:

a.

de vorm vast van het bewijs van ontvangst, bedoeld in artikel 18 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, dat door de bewaarder wordt ondertekend, met dien verstande dat indien het in elektronische vorm wordt opgemaakt en toegezonden aan de aanbieder, het wordt voorzien van een elektronische handtekening van de bewaarder, en

b.

regels met betrekking tot de wijze waarop op het bewijs van ontvangst, bedoeld in onderdeel a, indien het in papieren vorm is afgegeven, de verrichte inschrijving desgevraagd wordt aangetekend, bedoeld in artikel 19, derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

2.

Het bestuur van de Dienst stelt nadere regels met betrekking tot de inhoud van het bewijs van ontvangst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, met dien verstande dat daarin in elk geval wordt vermeld het aantal van de overgelegde maar niet mede in te schrijven stukken als bedoeld in artikel 44, onder vermelding van hun kenmerken als bedoeld in artikel 11b, zevende lid.

3.

Het bestuur van de Dienst stelt regels met betrekking tot de wijze en het tijdstip van verstrekken van het bewijs van ontvangst.