Dutch Legislation

Article 29

in force

UN Convention on the Rights of the Child · In force since 1995-03-08

Source
1.

The States Parties agree that the education of the child shall be directed to:

a.

the fullest possible development of the child's personality, talents and mental and physical abilities;

b.

the instilling of respect for human rights and fundamental freedoms, and for the principles enshrined in the Charter of the United Nations;

c.

instilling respect for the child's parents, for his or her own cultural identity, language and values, for the national values of the country in which the child is living, the country from which he or she may originate, and for civilisations different from his or her own;

d.

the preparation of the child for a responsible life in a free society, in the spirit of understanding, peace, tolerance, equality of sexes, and friendship among all peoples, ethnic, national and religious groups and persons belonging to the indigenous population;

e.

instilling respect for the natural environment.

2.

No part of this Article or of Article 28 shall be construed so as to interfere with the liberty of individuals and bodies corporate to establish and direct educational institutions, subject always to the observance of the principles set forth in paragraph 1 of this Article and to the requirement that the education given in such institutions shall conform to such minimum standards as may be laid down by the State.

1.

De Staten die partij zijn, komen overeen dat het onderwijs aan het kind dient te zijn gericht op:

a.

de zo volledig mogelijke ontplooiing van de persoonlijkheid, talenten en geestelijke en lichamelijke vermogens van het kind;

b.

het bijbrengen van eerbied voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en voor de in het Handvest van de Verenigde Naties vastgelegde beginselen;

c.

het bijbrengen van eerbied voor de ouders van het kind, voor zijn of haar eigen culturele identiteit, taal en waarden, voor de nationale waarden van het land waar het kind woont, het land waar het is geboren, en voor andere beschavingen dan de zijne of hare;

d.

de voorbereiding van het kind op een verantwoord leven in een vrije samenleving, in de geest van begrip, vrede, verdraagzaamheid, gelijkheid van geslachten, en vriendschap tussen alle volken, etnische, nationale en godsdienstige groepen en personen behorend tot de oorspronkelijke bevolking;

e.

het bijbrengen van eerbied voor de natuurlijke omgeving.

2.

Geen enkel gedeelte van dit artikel of van artikel 28 mag zo worden uitgelegd dat het de vrijheid aantast van individuele personen en rechtspersonen, onderwijsinstellingen op te richten en daaraan leiding te geven, evenwel altijd met inachtneming van de in het eerste lid van dit artikel vervatte beginselen, en van het vereiste dat het aan die instellingen gegeven onderwijs voldoet aan de door de Staat vastgestelde minimumnormen.