Dutch Legislation

Article 21

in force

UN Convention on the Rights of the Child · In force since 1995-03-08

Source

The States Parties that recognise and/or permit the system of adoption shall ensure that the best interests of the child shall be the paramount consideration and they shall:

a.

ensure that the adoption of a child is authorized only by competent authorities who determine, in accordance with applicable law and procedures and on the basis of all pertinent and reliable information, that the adoption is permissible in view of the child's status concerning parents, relatives and legal guardians and that, if required, the persons concerned have given their informed consent to the adoption on the basis of such counselling as may be necessary;

b.

recognise that intercountry adoption may be considered as an alternative means of child care, if the child cannot be placed in a foster or adoptive family or cannot in any suitable manner be cared for in the child's country of origin;

c.

ensure that for the child involved in an intercountry adoption, safeguards and standards apply which are equivalent to those existing in the case of domestic adoption;

d.

take all appropriate measures to ensure that, in the case of intercountry adoption, the placement does not result in improper financial gain for those involved;

e.

promote, where appropriate, the achievement of the objectives of this Article by concluding bilateral or multilateral arrangements or agreements, and shall endeavour, within the framework thereof, to ensure that the placement of the child in another country is carried out by competent authorities or bodies.

De Staten die partij zijn en die de methode van adoptie erkennen en/of toestaan, waarborgen dat het belang van het kind daarbij de voornaamste overweging is, en:

a.

waarborgen dat de adoptie van een kind slechts wordt toegestaan mits daartoe bevoegde autoriteiten, in overeenstemming met de van toepassing zijnde wetten en procedures en op grond van alle van belang zijnde en betrouwbare gegevens, bepalen dat de adoptie kan worden toegestaan gelet op de verhoudingen van het kind met zijn of haar ouders, familieleden en wettige voogden, en mits, indien vereist, de betrokkenen, na volledig te zijn ingelicht, op grond van de adviezen die noodzakelijk worden geacht, daarmee hebben ingestemd;

b.

erkennen dat interlandelijke adoptie kan worden overwogen als andere oplossing voor de zorg voor het kind, indien het kind niet in een pleeg- of adoptiegezin kan worden geplaatst en op geen enkele andere passende wijze kan worden verzorgd in het land van zijn of haar herkomst;

c.

verzekeren dat voor het kind dat bij een interlandelijke adoptie is betrokken waarborgen en normen gelden die gelijkwaardig zijn aan die welke bestaan bij adoptie in het eigen land;

d.

nemen alle passende maatregelen om te waarborgen dat, in het geval van interlandelijke adoptie, de plaatsing niet leidt tot ongepast geldelijk voordeel voor de betrokkenen;

e.

bevorderen, wanneer passend, de verwezenlijking van de doeleinden van dit artikel door het aangaan van bilaterale of multilaterale regelingen of overeenkomsten, en spannen zich in om, in het kader daarvan, te waarborgen dat de plaatsing van het kind in een ander land wordt uitgevoerd door bevoegde autoriteiten of instellingen.