Dutch Legislation

Article 14

in force

International Covenant on Civil and Political Rights (ICCPR) · In force since 1979-03-11

Source
1.

All persons shall be equal before the court and the judicial authorities. In the determination of any criminal charge against him, or of his civil rights and obligations in a suit at law, everyone shall be entitled to a fair and public hearing by a competent, independent and impartial tribunal established by law. The trial may be held in camera, in whole or in part, either in the interests of morals, public order or national security in a democratic society, or when the interest of the private lives of the parties to the proceedings so requires, or to the extent strictly necessary in the opinion of the court on the grounds that a public hearing would prejudice the interests of justice; however, any judgment rendered in a criminal or civil suit shall be public, except where the interest of juvenile persons otherwise requires or the proceedings concern matrimonial disputes or the guardianship of children.

2.

Everyone who is prosecuted for a criminal offence shall be presumed innocent until his guilt has been proven according to law.

3.

In the determination of any criminal charge against him, everyone is entitled, in full equality, to the following minimum guarantees:

(a).

to be informed promptly and in detail, in a language which he understands, of the nature and cause of the accusation against him;

(b).

to have adequate time and facilities for the preparation of his defence and to communicate with counsel of his own choosing;

(c).

to be tried without undue delay;

(d).

to be tried in his presence, to defend himself in person or through legal assistance of his own choosing; to be informed, if he does not have legal assistance, of this right; to have legal assistance assigned to him, if the interests of justice so require, and without payment by him being required if he does not have sufficient means;

(e).

to examine or have examined witnesses against him and to obtain the attendance and examination of witnesses on his behalf under the same conditions as witnesses against him;

(f).

to be assisted by an interpreter free of charge, if he does not understand or does not speak the language used at the hearing;

(g).

not to be compelled to testify against oneself or to confess guilt.

4.

When it concerns young persons, account shall be taken of their age and the desirability of promoting their rehabilitation.

5.

Every person convicted of a criminal offence shall have the right to have the conviction and sentence reviewed by a higher court in accordance with the law.

6.

If a person has been irrevocably convicted of a criminal offence and the judgment is subsequently quashed, or if a pardon has thereafter been granted to him, on the grounds that a new or newly revealed fact conclusively demonstrates that a miscarriage of justice has occurred, the person who, as a result of that conviction, has undergone punishment shall be indemnified in accordance with the law, unless it is demonstrated that the failure to reveal the unknown fact in a timely manner was wholly or partially attributable to him.

7.

No one shall be liable to be tried or punished again for an offence for which he has already been finally convicted or acquitted in accordance with the law and penal procedure of each country.

1.

Allen zijn gelijk voor de rechter en de rechterlijke instanties. Bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, of het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen in een rechtsgeding, heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige bij de wet ingestelde rechterlijke instantie. De terechtzitting kan geheel of ten dele met gesloten deuren plaatsvinden, hetzij in het belang van de goede zeden, de openbare orde of de nationale veiligheid in een democratische samenleving, hetzij wanneer het belang van het privé leven van de partijen bij het proces dit vereist, hetzij voorzover de rechter dit strikt noodzakelijk acht op grond van de overweging, dat een openbare behandeling het belang van de rechtspraak zou schaden; evenwel zal elk vonnis dat wordt gewezen in een strafrechtelijk of burgerrechtelijk geding openbaar zijn, tenzij het belang van jeugdige personen zich daartegen verzet of het proces echtelijke twisten of de voogdij over kinderen betreft.

2.

Een ieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd wordt voor onschuldig gehouden, totdat zijn schuld volgens de wet is bewezen.

3.

Bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft een ieder, in volle gelijkheid, recht op de volgende minimumgaranties:

(a).

onverwijld en in bijzonderheden, in een taal die hij verstaat, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;

(b).

te beschikken over voldoende tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging en zich te verstaan met een door hemzelf gekozen raadsman;

(c).

zonder onredelijke vertraging te worden berecht;

(d).

in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, zichzelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze; ingeval hij geen rechtsbijstand heeft, van het recht daarop in kennis te worden gesteld; rechtsbijstand toegewezen te krijgen, indien het belang van de rechtspraak dit eist, en zonder dat daarvoor betaling van hem kan worden verlangd, indien hij niet over voldoende middelen beschikt;

(e).

de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen a décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge;

(f).

zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal die ter zitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt;

(g).

niet te worden gedwongen tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen.

4.

Wanneer het jeugdige personen betreft, dient rekening te worden gehouden met hun leeftijd en de wenselijkheid hun reclassering te bevorderen.

5.

Een ieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld heeft het recht de schuldigverklaring en veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet.

6.

Indien iemand wegens een strafbaar feit onherroepelijk is veroordeeld en het vonnis vervolgens is vernietigd, of indien hem daarna gratie is verleend, op grond van de overweging dat een nieuw of een pas aan het licht gekomen feit onomstotelijk aantoont dat van een gerechtelijke dwaling sprake is, wordt degene die, als gevolg van die veroordeling, straf heeft ondergaan, overeenkomstig de wet schadeloos gesteld, tenzij wordt aangetoond dat het niet tijdig bekend worden van het onbekende feit geheel of gedeeltelijk aan hemzelf te wijten was.

7.

Niemand mag voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij onherroepelijke uitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken.