Dutch Legislation

Article 1:370

in force

Custody of minor children · Guardianship (voogdij) · § The administration by the guardian

Civil Code — Book 1 · Title 14 · Section 6 · § 10 · In force since 1998-01-01

Source
1.

The subdistrict court may, at the petition of the guardian or of its own motion, place the assets of the minor or a part thereof, including the fruits, under administration for the duration of the minority, if it deems this necessary in the interest of the minor. In the event of joint exercise of guardianship, a decision to place under administration shall only be made if the petition is submitted by both guardians jointly.

2.

The subdistrict court judge appoints the administrator and determines the remuneration due to the latter. Upon the establishment of the administration, he may determine that the guardian must reimburse the minor, in whole or in part, for the costs caused by the administration, including the remuneration, as well as that the guardian, without prejudice to his recourse against the administrator, is liable to the minor for the latter's acts. In the event of joint exercise of guardianship, these obligations shall be imposed on both guardians.

3.

The provisions regarding the administration by a guardian shall apply mutatis mutandis to the administration. The administrator shall have the exclusive power to annul legal acts performed by the minor, aimed at the management or disposal of the assets under administration.

4.

The subdistrict court judge determines which payments the administrator must make from the assets placed under administration and the fruits thereof to the guardian and, in the case of joint exercise of guardianship, to the guardians, for the benefit of the care and upbringing of the minor or for the benefit of the management of the minor's assets not placed under administration. He may at any time amend these orders at the petition of a guardian or the administrator, or of his own motion.

5.

The administrator is obliged to provide the subdistrict court (kantonrechter) at all times with all information requested by the latter.

6.

He is furthermore obliged to render an account and justification (rekening en verantwoording) annually and at the end of his administration to the guardian, and in the case of joint exercise of the guardianship to the guardians, to the person who has attained majority or to the heirs of the minor, if the latter has deceased, in the presence of the subdistrict court judge (kantonrechter).

7.

Disputes arising during the rendering of accounts shall be decided by the subdistrict court judge.

8.

If one of the parties fails to cooperate in this rendering of account, Articles 771 and following of the Code of Civil Procedure shall apply.

9.

The subdistrict court judge (kantonrechter) may at all times, at the petition of the administrator, a guardian or of its own motion, terminate the administration or dismiss the administrator and replace him with another.

1.

De kantonrechter kan op verzoek van de voogd of ambtshalve, het vermogen van de minderjarige of een deel daarvan, met inbegrip van de vruchten, voor de duur van diens minderjarigheid onder bewind stellen, indien hij dit in het belang van de minderjarige nodig oordeelt. In geval van gezamenlijke uitoefening van de voogdij wordt tot onderbewindstelling slechts beslist indien het verzoek door beide voogden gezamenlijk wordt gedaan.

2.

De kantonrechter benoemt de bewindvoerder en bepaalt het aan deze toekomende loon. Hij kan bij de instelling van het bewind bepalen dat de voogd de door de onderbewindstelling veroorzaakte kosten, met inbegrip van het loon, geheel of gedeeltelijk aan de minderjarige moet vergoeden, alsmede dat de voogd, behoudens zijn verhaal op de bewindvoerder, voor diens verrichtingen aansprakelijk is jegens de minderjarige. In geval van gezamenlijke uitoefening van de voogdij worden deze verplichtingen opgelegd aan beide voogden.

3.

Op het bewind zijn de bepalingen omtrent het bewind van een voogd van overeenkomstige toepassing. De bewindvoerder is bij uitsluiting bevoegd tot vernietiging van rechtshandelingen van de minderjarige, strekkend tot beheer of beschikking met betrekking tot de onder bewind staande goederen.

4.

De kantonrechter bepaalt welke uitkeringen de bewindvoerder uit de onder het bewind gestelde goederen en de vruchten daarvan aan de voogd en bij gezamenlijke uitoefening van de voogdij aan de voogden, moet doen ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of ten behoeve van het beheer van diens niet onder het bewind gestelde goederen. Hij kan deze beschikkingen te allen tijde op verzoek van een voogd of de bewindvoerder, of ambtshalve wijzigen.

5.

De bewindvoerder is verplicht aan de kantonrechter te allen tijde alle door deze gewenste inlichtingen te verstrekken.

6.

Hij is voorts verplicht jaarlijks en aan het einde van zijn bewind aan de voogd, en bij gezamenlijke uitoefening van de voogdij aan de voogden, de meerderjarig gewordene of de erfgenamen van de minderjarige, wanneer deze overleden is, ten overstaan van de kantonrechter rekening en verantwoording af te leggen.

7.

Geschillen die bij de rekening en verantwoording rijzen, beslist de kantonrechter.

8.

Blijft een der partijen in gebreke tot deze aflegging van rekening en verantwoording mede te werken, dan zijn de artikelen 771 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing.

9.

De kantonrechter kan te allen tijde op verzoek van de bewindvoerder, een voogd of ambtshalve het bewind opheffen of de bewindvoerder ontslaan en door een ander vervangen.